» » In de Oer-wouden van Afrika

In de Oer-wouden van Afrika

In de Oer-wouden van Afrika
Category:
Author: Verne Jules
Title: In de Oer-wouden van Afrika
Release Date: 2006-04-05
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 25 March 2019
Count views: 17
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 16

[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[Inhoud]

Max Huber en Llanga.

Max Huber en Llanga.

In de Oer-wouden van Afrika.

Uitgevers-Maatschappij “Vivat”,
Amsterdam.

[1]

[Inhoud]

HOOFDSTUK I.

Na een langen marsch.

“En is er geen Amerikaansche Congo?” vroeg Max Huber.

“Amerika heeft zelf land genoeg”, antwoordde John Cort, “er valt nog genoeg te ontginnen tusschen Alaska en Texas en men behoeftwaarlijk niet naar vreemde koloniën uit te zien, als men binnen eigen grenzen nog zooveel te doen heeft, zou ik meenen.”

“En dus zullen de Amerikanen Afrika maar overlaten aan de Engelschen, Duitschers, Hollanders, Portugeezen, Franschen, Italianen,Spanjaarden, Belgen?”

“De Amerikanen hebben er niets te doen”, hernam John Cort, “evenmin als de Russen, en om dezelfde reden.”

“En die is?”

“Dat men niet ver loopt om datgene te halen, wat men thuis onder zijn bereik heeft.”

“Nu, ik geloof toch, dat de Amerikaansche regeering op een goeden dag haar deel zal komen eischen van die groote Afrikaanschetaart!” antwoordde Max Huber, “er is nu reeds een Fransch Congo, een Belgisch Congo, een Duitsch Congo, zelfs een OnafhankelijkeCongostaat, en van al dat land, dat wij nu reeds drie maanden doorkruisen....”

“Als touristen, Max, niet als veroveraars!”

“Nu, van al dat land moet Amerika ook zijn deel nemen. Er zijn hier vruchtbare streken, die slechts op ontginning wachten.”

“Onder die afschuwelijk brandende zon”, voegde John Cort er bij, terwijl hij zijn voorhoofd afwischte.

“Ba, daar let ik niet meer op!” riep Max Huber, “ik ben reeds aan het klimaat gewend en bijna een neger geworden!”[2]

“Bijna! Het scheelt nog veel voor wij met onze dunne huid op die zwartjes lijken, gij als Franschman evenmin als ik als Amerikaan.Maar toch hebben wij een belangwekkende reis gemaakt, Max, en het wordt tijd dat wij naar Libreville terugkeeren om in defactorijen wat van onzen drie-maandschen tocht te bekomen.”

“En toch heeft die reis mij niet opgeleverd wat ik er van verwacht had.”

“Wat zegt gij daar, Max? Honderden mijlen zijn wij door geheel onbekende landen getrokken, wij hebben onze geweren moetengebruiken tegen de assegaaien en pijlen van vijandige inlanders, wij hebben jacht gemaakt op den Numidischen leeuw, zoowelals op den Lybischen panter, wij hebben zooveel olifanten geschoten, dat van hunne slagtanden toetsen kunnen gemaakt wordenvoor alle piano’s ter wereld, en nog ben je niet tevreden?”

“Ja en neen, John. Alles wat gij daar opnoemt zijn de gewone ontmoetingen van elken Afrikaanschen ontdekkingsreiziger. Leesmaar eens de reisbeschrijvingen van Barth, Burton, Speke, Grant, du Chaillu, Livingstone, Stanley, Serpa Pinto, Anderson,Cameron, Brazza, Wissmann en hoe al die dappere mannen meer mogen heeten.”

“En wat hadt gij dan wel op onze reis meenen te vinden?” vroeg John Cort.

“Iets buitengewoons, iets vreemds en zeldzaams.”

“Nu, de reis is nog niet achter den rug”, hernam de Amerikaan; “het zal nog wel vijf of zes weken aanhouden, eer wij in Librevillezijn.”

“Alsof ons dan nog iets kon overkomen, zooals wij nu reizen in dezen wagen! Het lijkt waarlijk wel een tochtje met een diligence!”

Kort daarop bleef de wagen staan bij een heuveltje, waarop een zestal mooie boomen groeiden, de eenige in deze uitgestrektevlakte.

Het was zeven uur in den avond en daar op dezen achtsten Noorderbreedtegraad de schemering slechts zeer kort duurt, zou denacht spoedig vallen. En dan zou het zeer donker zijn, want dikke wolken pakten zich aan den hemel samen.

De reiswagen, die alleen bestemd was voor het vervoer [3]der reizigers en dus geen koopwaren of proviand bevatte, rustte op een zwaar onderstel met vier breede wielen en werd doorzes ossen getrokken. Door een schot was zij inwendig in twee kamertjes verdeeld; het achterste, bestemd voor de twee jongeliedenJohn Cort en Max Huber, zooals wij reeds gehoord hebben een Amerikaan en een Franschman, het voorgedeelte in gebruik bij eenPortugeesch koopman, Urdax genaamd, en den “voorlooper” Khamis. Deze voorlooper—de man, die steeds aan het hoofd van de karavaangaat—was een neger van Kameroen en volkomen geschikt als gids door de brandend heete vlakten van Oebanghi.

Drie maanden geleden was deze eenvoudige, maar zeer sterke reiswagen uit Libreville, de hoofdstad van Fransch Congo, vertrokken.In Oostelijke richting gaande, was zij op de vlakten van de Oebanghi gekomen, die hunnen naam danken aan een der voornaamsterechter zijstroomen van de Congo- of Zaïre-rivier.

Deze streek strekt zich uit ten Oosten van Duitsch Kameroen, en hare grenzen kunnen niet met nauwkeurigheid worden aangegeven.Zij kenmerkt zich door een machtigen plantengroei en hier en daar, maar op groote afstanden van elkander, liggen dorpen, waarvande bewoners onafgebroken met elkander strijd voeren en waarvan enkele, zooals bijvoorbeeld de Mouboutou-negers, tusschen hetNijlbekken en de Congo, menscheneters zijn. En het is afschuwelijk, maar meerendeels slachten deze kannibalen kinderen, diein deze streek zoo weinig in tel zijn, dat men ze als geld gebruikt en er koopwaren mede betaalt. De rijkste neger is danook hij, die de meeste kinderen heeft!

En al was de Portugees Urdax met zijn reisgenooten niet bepaald door deze gevaarlijke streek gegaan, toch hadden zij af entoe ontmoetingen met deze woeste Congo-negers gehad, die alleen door geweerschoten op eenigen afstand konden gehouden worden.

Dicht bij een dorp, nabij de bronnen van de Bahar-el-Abiad, hadden John Cort en Max Huber echter gelegenheid gehad een kindte redden van het vreeselijk lot dat hem dreigde en dit voor enkele snuisterijen en kralen van de kannibalen afgekocht.

Het was een knaap van tien jaren, gezond en sterk, [4]uit wiens oogen schranderheid sprak en die voor zijne redders groote aanhankelijkheid aan den dag legde. De arme jongen, dieaan zijn ouders en aan zijn stam ontroofd was, heette Llanga en leefde sedert als aangenomen kind van Max Huber en John Cortin de factorijen van Libreville, waar hij alle gelegenheid had wat Fransch en Engelsch te leeren.

Toen de wagen voor dien nacht halt hield, werden de ossen afgespannen en de vermoeide dieren legden zich dadelijk neder.

Het proviand en de buitgemaakte slagtanden waren toevertrouwd aan de dragers, een vijftigtal Kameroen-negers, en op last vanJohn Cort werd onder de prachtige tamarindeboomen een soort kampement ingericht. Van droge takken werden twee groote vurenaangelegd en voorraad antilopenvleesch was rijkelijk aanwezig. Zoo kon een goede maaltijd gehouden worden, zonder dat grootgevaar te duchten was, want, zooals van zelf spreekt, bevatte de wagen voor het persoonlijk gebruik der drie blanken een flinkgetal uitstekende vuurwapenen en ammunitie.

Niettemin bepaalde de voorlooper, toen de karavaan zich ter ruste zou leggen, dat eenige mannen beurtelings twee uren zoudenwaken, hetgeen in deze streken altijd raadzaam is, zoowel tegen vier- als tweebeenige aanvallers.

Ten opzichte der veiligheid verzuimde Urdax dan ook geen enkelen maatregel. Deze Portugees was een krachtig gebouwd man vanomstreeks vijftig jaren, die met de leiding eener karavaan ten volle vertrouwd was, en in den voorlooper Khamis, een vijfen dertigjarige neger, zeer vlug, zeer koelbloedig en zeer dapper, had hij een uitnemende hulp.

Het was aan den voet van een der tamarindeboomen, dat de drie blanken zich nederzetten voor het maal, dat door Llanga gebrachtwerd en onder het eten werd de verdere tocht besproken.

“Wij moeten nu Zuidwestelijk gaan”, zei Urdax.

“Ja, want ik geloof dat wij vlak Zuid een dicht woud voor ons hebben.”

Het drietal zette den tocht voort. (Zie pag. 16).

Het drietal zette den tocht voort. (Zie pag. 16).

“Ja, een zeer dicht, bijna ondoordringbaar woud”, beaamde de Portugees; “wilden wij het Oostelijk omtrekken, [7]dan zouden daartoe maanden noodig zijn. Maar Westelijk komen wij aan de Oebanghi, dicht bij de stroomversnellingen van deCongo.”

“Maar zou het de reis niet bekorten als wij dwars door dat woud trokken?” vroeg Max Huber.

“Ja, het zou een paar weken uitsparen.”

“En waarom doen wij dat dan niet?”

“Omdat het woud ondoordringbaar is.”

“Kom, dat geloof ik niet!” riep de jonge Franschman.

“Ondoordringbaar misschien niet voor voetgangers”, hernam de Portugees, “hoewel ik daarvan ook nog niet eens zeker ben, maarvoor wagens is het zeker ondoenlijk.”

“En heeft nooit iemand beproefd dat woud door te trekken?”

“Beproefd misschien wel, maar gelukt is het zeker niet en in Kameroen zoowel als in den Congo zou ieder u zulk een ondernemingafraden.—Het is de vraag of men met de bijl of met vuur er een weg doorheen zou kunnen maken en nu spreek ik nog niet eensvan de reusachtige doode boomen, die onoverkomelijke hinderpalen vormen.”

“Onoverkomelijk Urdax!” spotte de ongeloovige Max.

“Komaan Max”, zei John Cort, “denk toch niet aan zoo iets onzinnigs en wees liever blij, dat wij zulk een woud kunnen omtrekken.Ik heb geen lust mij in zulk een doolhof te wagen!”

“Wie weet wat er in verborgen is!”

“En wat zou er in verborgen zijn, Max? Onbekende rijken, betooverde steden, vreemde dieren, olifanten met zes pooten of negersmet drie beenen?”

“Best mogelijk”, antwoordde Max Huber onverstoorbaar.

“Hoe het zij”, hernam Urdax, “ik ga met mijn wagen dat bosch niet in!”

Hiermede was het gesprek geëindigd en besloot men te gaan slapen. Llanga bracht dekens en goed daarin gewikkeld legden detwee vrienden zich tusschen de wortels van een tamarindeboom, terwijl Llanga zich als een waakhond aan hunne voeten uitstrekte.

Urdax en Khamis maakten eerst nog een ronde om het kampement. Zij wilden zich overtuigen, dat de ossen [8]goed gekluisterd en de wakers op hunnen post waren, dat elk vuur was gebluscht, want het kleinste vonkje zou het droge grasen doode hout onmiddellijk in vlam zetten. En toen zij alles in orde hadden bevonden, legden ook zij zich dicht bij de wagente slapen.

De slaap liet niet lang op zich wachten, geen wonder trouwens na den vermoeienden dagmarsch. Maar de wakers, sliepen die ook?Omstreeks tien uur vertoonden zich allerlei verdachte lichtjes aan den zoom van het groote woud, maar niemand kwam dit aande leiders der karavaan mededeelen.

[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

De bewegende vuren.

De afstand tusschen het kampement en het donkere woud, waarbij nu af en toe zulke geheimzinnige lichten verschenen, bedroegomstreeks twee kilometer. Soms schenen wel tien van die lichten tegelijk en zoo fel, dat men wel haast moest aannemen, datdaar een kamp van negers was. Maar daarvoor verspreidden die vuren zich te grillig en te veel uit elkander.

Een handelskaravaan zou echter zeker niet zoo onvoorzichtig zijn van zulke groote vuren aan te leggen en daardoor haar tegenwoordigheidte verraden.

Intusschen bleef in het kamp der Europeanen alles in diepe rust en zelfs de wakers bleken op hun post ingeslapen. Het wasdan ook een groot geluk, dat de kleine Llanga wakker werd. Hij wreef zijn oogen eens uit, zag hij goed? Ja, hij vergiste zichniet, daar, aan den rand van het woud, scheen licht!

Toch wilde hij niet dadelijk zijn beide weldoeners wekken en daarom sloop hij naar den wagen, schudde den voorlooper wakkeren wees met den vinger naar de lichtschijnsels aan den horizon.

Khamis staarde een oogenblik zwijgend voor zich uit en riep toen eensklaps: “Urdax!”

“Wat is er?” vroeg de Portugees, die dadelijk wakker en overeind was.[9]

De lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond. (Zie pag. 17).

De lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond. (Zie pag. 17).

[11]

“Kijk eens!”

Urdax zag de lichten en liet dadelijk de gansche karavaan op de been brengen en zoodanig was iedereen onder den indruk vanhet dreigend gevaar, dat niemand er aan dacht de wakers, die zoo slecht hadden opgepast, te berispen.

Het was omstreeks elf uur. De vlakte was voor drie vierde deel in volkomen duister, maar in het Zuiden stegen allerlei grilligevlammen op, thans soms wel vijftig tegelijk.

“Een kamp van inboorlingen”, zei Urdax. “Waarschijnlijk Boudjos, die veel aan de oevers van de Congo en de Oubanghi komen.”

“Het zijn lichten, die door menschen verplaatst worden”, merkte John Cort op.

“Maar dan moesten wij die menschen zien”, antwoordde Max Huber.

“Dat komt omdat zij achter den boschrand zijn”, verklaarde Khamis.

“Maar de vuren verplaatsen zich en komen toch weer op dezelfde plaats terug”, hernam Max Huber.

“De plaats waar het kamp is”, meende de voorlooper.

“En wat denkt gij er van?” vroeg John Cort aan Urdax.

“Dat wij aangevallen zullen worden”, antwoordde de Portugees, “en wij ons dus terstond op verdediging gereed moeten maken.”

“Maar waarom hebben die inboorlingen ons dan niet in stilte bekropen en plotseling overvallen, zonder hunne tegenwoordigheideerst zoo duidelijk te verraden?”

“Negers zijn geen blanken”, hernam Urdax, “maar zij zijn daarom

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 16
Comments (0)
reload, if the code cannot be seen
Free online library ideabooks.net