» » Oorlogsvisioenen

Oorlogsvisioenen

Oorlogsvisioenen
Category: Fiction
Title: Oorlogsvisioenen
Release Date: 2006-04-08
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 25 March 2019
Count views: 15
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 20

OORLOGSVISIOENEN

DOOR CYRIEL BUYSSE

Uitgegeven te Bussum bij

C.A.J. Van Dishoeck ten jare 1915

INHOUD

I. De heeren Bollekens in oorlogstijd

II. Het oorlogshuwelijk van meneer Cathoen

III. Rikiki

IV. De varkenskar

V. In de vuurlinie

VI. Burgerwacht-idylle

VII. De vrijwilliger

VIII. De vlucht

IX. De moeder

X. Singen... Singen!...

XI. De terugkeer


I.

DE HEEREN BOLLEKENS IN OORLOGSTIJD

Meneer Bollekens, senior, was een rijk, rijk man.

Ook meneer Bollekens, junior, was rijk, doch minder uit zichzelf, danwel omdat zijn vader zulk een rijk, rijk man was.

Meneer Bollekens, vader, was weduwnaar en meneer Bollekens, zoon, waseen gescheiden man.

De scheiding tusschen den zoon en zijn vrouw had plaats gehadterwille van een jeugdige dienstmaagd. De jonge vrouw had dat meisjekort na haar huwelijk in haar dienst genomen en zij was er zeertevreden over en alles scheen uiterst best te gaan, tot de jongemevrouw opeens beweerde, dat het niet meer ging en verklaarde dat hetmeisje dadelijk weg moest. Waarom zij zoo plotseling weg moestlichtte mevrouw Bollekens junior niet nader toe, maar des tekrachtiger drong zij aan op onmiddellijk vertrek.

Bollekens zoon kwam tegen dat onverwachte besluit radikaal op.

—Zij zal niet weggaan; er is geen enkele reden om haar te doenweggaan, zei hij, vastberaden.

—Zij zal wèl weggaan; daarvoor is alle reden en dat weet gij beterdan iemand! snauwde de jonge vrouw haar echtgenoot toe.

Bollekens junior, eenige, door zijn ouders zeer verwende zoon, waskoppig en tyranisch. Hij duldde absoluut geen tegenspraak.

—Zij zal niet weggaan. Ik ben hier immers de baas! herhaalde hij nogeens, met klemmenden nadruk.

—Dan zal ik weggaan, zei de jonge vrouw, in snikken uitbarstend.

—Zooals ge verkiest, had hij ijskil gëantwoord.

En zoo was het gebeurd. Na een laatste, heftige scene, had mevrouwBollekens junior zich eensklaps opgepakt en was zij weggeloopen, naarhaar moeder toe. En kalm had Bollekens junior het boeltje bij zichopgedoekt en was hij bij zijn vader komen inwonen, met de jonge meid.


Het was een flinke, knappe meid, met roze wangen, lichte oogen enbizonder mooi, donker haar, dat rechtop kroesde en aan de uitdrukkingvan haar gezicht en ook aan heel haar uiterlijk iets zeer pikant'sgaf.

't Was jammer, zei vader Bollekens, dat zijn schoondochter juist zulkeen meid had uitgekozen, maar verder bemoeide hij zich liever nietmet het geschil: hij was een man van de rust en erg bang vooronaangenaamheden met zijn zoon. Hij deed zijn best om hen weer metelkaar te verzoenen, doch toen hij merkte dat zijn tusschenkomstniets hielp en dat de schoondochter al even stijfhoofdig op haarstandpunt bleef als de zoon op het zijne in die neteligemeidenkwestie, haalde hij maar machteloos zijn schouders op en leizich bij den toestand neer. Hij hield nu eenmaal meer van zijn zoondan van zijn schoondochter, zooals hij trouwens over 't algemeen ookmeer van mannen dan van vrouwen hield; hij vond de vrouwen lastig,nesterig, vervelend, drukte-makerig om niets; hij vond ze alleen maargoed in zooverre ze zich gedwee aan de eischen van de mannenonderwierpen en dezen als meesters dienden; en, ofschoon hij descheiding van zijn zoon uit maatschappelijk standpunt afkeurde enbetreurde, toch was hij er niet zoo heel verre van af wel tebegrijpen, dat zijn zoon feitelijk meer had aan die knappe, flinkemeid dan aan zijn nesterige luxe-huisvrouw. Kortom, hij wenschte doordie zaak niet langer dan strikt noodig was in zijn gelukkigerijkaards-rust gestoord te worden; en zoo kwam de zoon weer in zijnhuis binnen en schikte zich daar zooals 't hem behaagde; en zoo kwamook de flinke, knappe meid met den zoon mede en nam daar eeneenigszins vage positie onder de andere dienstboden aan: linnenmeid,luxe-meid, praat-en-loop-meid; en in de eerste plaats deafzonderlijke meid van den zoon, gelast met zijn bed op te maken enzijn kamers in orde te houden en daarom ook niet naast de andereboden op de bovenste verdieping, maar op een lagere verdieping,in een aparte kamer, slapend.


Het huis dat meneer Bollekens in de stad bewoonde, was een groot enprachtig huis. Hij had het zoo groot en zoo duur laten bouwen, nietomdat hij bepaalde behoefte aan zooveel ruimte en luxe had, maar welomdat hij geld genoeg bezat om zulk een huis te laten bouwen. Dat wasimmers bijna een plicht voor een man van zulk bijzonder grootvermogen. Het huis van meneer Bollekens moest, uiterlijk eninnerlijk, voor de oogen van de menschen die hem kenden, en ook welvoor de menschen die hem niet kenden, in verhouding staan tot hetfortuin, waarvan hij leefde.

En 't waren verdiepingen en nóg verdiepingen, en 't waren kamers ennóg kamers, allen even ruim en duur gemeubileerd, en allen vrijweloverbodig, want meneer Bollekens bewoonde of gebruikte ze om zoo tezeggen niet. Meneer Bollekens, die zich moeilijk bewoog, had in zijnreuzenhuis niets dan een slaap-en zitkamer, op de eerste verdieping,dicht bij het trapportaal, met een uitzicht op de straat; en eeneetkamer in het souterrain, vlak naast de keuken, omdat ditgemakkelijker was voor de bediening en ook omdat de spijzen dan welaltijd warm op tafel kwamen.

Meneer Bollekens was een man van vijf en zestig jaren, groot, zwaaren dik; met rood gezicht en grijze, borstelige haren. Hij had lastvan allerlei kwaaltjes en kwalen en koesterde zoo goed als geenvertrouwen in de bekwaamheid der doktoren, die hem toch nooit geheelgenezen hadden. Hij volgde soms wel voor een poosje hun raad enbevond er zich dan ook wel eens goed mee, maar zoodra er een dag kwamdat hij zich wat minder lekker voelde, gaf hij het dadelijk op en zeidat de doktoren hem verkeerd behandelden.

De heele gezondheidskwestie bestond voor meneer Bollekens hierin, dathij gezond wilde zijn en blijven, zonder zich in iets te ontzien.Poeiers, drankjes, enz. wilde hij graag genoeg innemen, doch enkel opvoorwaarde dat hij dan ook oesters, wild, foie gras, en de daarbijpassende wijnen mocht blijven gebruiken. Aan elk diëet had hij dengruwelijksten hekel en bovenal was hij gesteld op zijn dagelijksche,vast-geregelde bezoeken aan zijn eenig geliefd koffiehuis:de Rosbach!

De Rosbach, het welbekend Duitsch bierhuis, bevond zich in een drukkestraat, vlak tegenover deze waar meneer Bollekens woonde; en van uitzijn ramen kon hij den witten gasbol zien boven den ingang dervermaarde herberg en de grauw-bestoven sierplanten-in-kuipen, die ophet trottoir het terrasje afbakenden. Daar kwam hij driemaal daagszijn biertjes gebruiken: 's ochtends om elf uur, 's namiddagstusschen vijf en zeven en verder heel den avond, van negen tot laatin den nacht.

Meneer Bollekens, en ook zijn zoon, hielden van alles wat fijn enlekker was: van kreeften en primeurs, van fazanten en patrijzen, vanalle mogelijke wildpasteien en gerechten; zij waardeerden met bijnavrome ontroering het bedwelmend bouquet der aloude Margaux', de als't ware versche-levenskracht-ingietende rijkheid der bruinroodeNuits' en Vougeot's en de vroolijk-oplachende, gouden tinteling enPrikkeling der schuimende Pommery's en Cliquot's; maar na al dieweelde van 't fijne en van 't dure, verlangden zij, dorstten zijtelkens weer naar het meer alledaagsche en gewone, naar datheerlijk-koel, schuimend glas donkerbruin bier, zooals de Rosbach,en alléén de Rosbach, het hun geven kon.

Het eerste ochtendglas, om elf ure, werd steeds met kalmen ernstgebruikt. Het had iets rustig-bezadigds, als een ontbijt. Men was nogin de stemming niet. Maar wat de dag ook verder aan genoegens ofteleurstellingen bracht, vijf uur, het heerlijk moment van vijf uurhelderde alles op en vader en zoon togen gezamenlijk naar deverrukkelijke herberg. De zucht waarmee papa Bollekens zich op zijnvastbewaarde plaats neerzette, terwijl hij uit de hand van denvoorkomenden baas zijn pijp ontving, klonk als een gekreun van geluk.Hij kreeg zijn eerste glas en dronk een volle, lange teug, met detong het schuim van zijn snorren aflikkend; de vrienden en stamgastenkwamen binnen en de gelukkige avond begon.

Wat daar al niet besproken en behandeld werd! Het stadsbeheer was eraan scherpe kritiek onderworpen, het staatsbestuur niet minder;autoriteiten werden afgesteld, benoemingen werden gedaan;ministeries omgegooid, andere ministeries in 't leven geroepen. Dieheeren wisten alles, álles; niets ontsnapte aan hun scherp-kritischwaarnemingsvermogen en naarmate zij meer dronken werden hunorganisatiekrachten helderder en sterker en moest het wel voorluisterende buitenstaanders onverklaarbaar schijnen hoe het mogelijkwas, dat zij daar op de banale, harde banken van een herberg en nietin de gemakkelijke kussens van ministerieele fauteuils neerzaten.

De kroegbaas, een Duitscher, met grijs-blond haar en slaperige oogen,hield zich steeds in hun buurt en bediende hen zorgzaam, zonder zichooit in hun gesprek te mengen of er schijnbaar eenigszins notitie vante nemen. Hij scheen de verpersoonlijkte-onbeduidendheid, onbeduidendals een dagelijksche plicht, als een abstractie. Hij vulde zijn glazenachter de schenktafel, streek er met een soort van liniaal hetovertollig schuim af, overhandigde ze zwijgend aan zijn kellner, dieze aan de klanten om de tafeltjes ging brengen. Dat scheen zijneenige bezigheid en eenige reden van bestaan, een machinale taak, diehij als een automaat verrichtte. Het wekte verwondering wanneer menhem iets anders zag uitvoeren en het leek ook gansch ongewoon wanneerhij zich voor iets anders dan zijn zaak interesseerde. Hij had eenvrouw, een dikke, ronde vrouw, die meestal in de onderdiepten derRosbach vertoefde, maar er toch af en toe eens uitkwam, om hem metGewichtig gezicht iets aan het oor te fluisteren. Dan fronsten evenZijn wenkbrauwen en keken strak zijn oogen, alsof hem ietsOnaangenaams werd meegedeeld, en soms verdween hij met haar voor eenpoosje in de heimelijke kelderdiepten. Maar zoo spoedig mogelijk stondhij weer achter zijn buffet, en wel eens gebeurde het, dat er daneen vreemd bezoeker binnen kwam, die een poosje vertrouwelijk met denbaas bleef praten. Het bleek een landgenoot te zijn, een vriend ofkennis van vroeger, die hem eens kwam opzoeken. Zij keuveldenbescheiden met elkaar in 't Duitsch en het klonk altijd zoo vreemd,den baas, die toch een Duitscher was, zijn eigen taal te hoorenspreken. Hij was daar al sinds zoovele jaren ingeleefd en ingeburgerd,in de groote, Vlaamsche stad; hij sprak zoo vloeiend en natuurlijk detaal van het volk en ook het Fransch, dat het nu ónnatuurlijkscheen, wanneer hij 't Duitsch, zijn eigen taal, gebruikte. En het wasook alsof hij die niet graag meer sprak en ook niet graagzijn landgenooten meer ontmoette: er was iets koels en stijfs inzijn gansche bejegening, zoolang hij zich met hen moest bezig houden,en iets verlichts in hem zoodra zij weg waren, alsof hij dan pasweer zichzelf werd, wanneer hij met zijn goede, trouwe, Vlaamschevrienden en klanten weer in gezellige intimiteit verkeerde.

Behalve zijn prachtig stadskuis bezat de rijke, rijke meneerBollekens ook nog een heerlijk buitenverblijf.

Het rees, anderhalf uur van de stad, lieflijk wit en roze, achterschoone, stille vijvers en zacht-glooiende grasvelden, tegen eenmajestueuzen achtergrond van hooge boomen op.

Zoolang zijn vrouw, die veel van buiten hield, leefde, had meneerBollekens er geregeld ieder jaar de zomermaanden doorgebracht. Dochna haar overlijden werd het er hem te eenzaam en steeds kortte hijzijn verblijf meer en meer in, tot hij er weldra niet meer verbleef,doch er slechts heen en weer kwam, met zijn rijtuig, bij wijze vanuitstapje, elken avond, zelfs in 't heetste van den zomer, naar destad terugkeerend. De toenemende gehechtheid aan de Rosbach en devrienden die hij er ontmoette, was daar ook niet vreemd aan; en tenslotte hadden de bezoeken zich bepaald tot drie in de week, na't middagdutje, tusschen drie en zeven. Meneer Bollekens zoon, vanzijn kant, deelde, aangaande de bekoring van het buitenleven, geheelen al de zienswijze zijns vaders; en zoo gingen zij meestal samen,gemakkelijk uitgestrekt op de zachte kussens van den ietwatouderwetschen landauwer bespannen met twee paarden, wellustig sigarenrookend en zonder inspanning genietend van het mooie weer en degezonde, frissche buitenlucht. Dan was de knappe meid meestal pertrein vooruitgezonden om alles wat op orde te schikken en 't een of't ander voor hen klaar te maken; en in die enkele uren dat hij opzijn buitengoed verbleef had meneer Bollekens dan ook wel tijd genoegom met zijn tuinbaas en zijn werklieden te praten en zijn boeren, diebijna allen in den onmiddellijken omtrek woonden, desgewenscht op hetkasteel te ontvangen of hen persoonlijk een bezoek te brengen. Tegenhet uur van hun vertrek maakte de tuinman een paar mandjes met fijnegroenten en vruchten gereed en daarmee vertrok alweer per trein deknappe meid, terwijl de beide heeren, die een hekel hadden aan bagagein hun rijtuig, zich nog eens lui en heerlijk in de kussensachteroverstrekten en onder het terugkeeren naar stad en Rosbach vande zachte, gouden avondlucht genoten.


De Rosbach! Begin, middenpunt en einde van den dag; centrum, navelvan het leven! Rustoord van gezelligheid en welgedane vrede; maarook brouwketel van twistgesprek en stoornis, als daartoe aanleidingbestond!

En er wàs aanleiding,

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 20
Comments (0)
reload, if the code cannot be seen
Free online library ideabooks.net