» » » Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc

Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc

Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc
Category: Ukraine / History / Fiction
Title: Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc
Release Date: 2006-05-16
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 25 March 2019
Count views: 22
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 23

[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

Oorspronkelijke rug.

[Inhoud]

“Vader noemt mij altijd zijn klein eekhorentje.” Blz. 51.

“Vader noemt mij altijd zijn klein eekhorentje.” Blz. 51.

Maroessia


De Ukraineesche Jeanne d’Arc

D. Bolle—Rotterdam

[1]

[Inhoud]

I.

Een onbekend reiziger.

Traditioneel houten huis.

Ik zal u eens iets vertellen, dat heel lang geleden in de Ukraine is voorgevallen, en wel in een vergeten, maar frisschenen bekoorlijken hoek van deze landstreek.

Ik houd veel van die streken, waarover men weinig spreekt, die de vreemdeling niet bezoekt, die men aan zich zelf overlaat,die haar schuilplaatsen en haar geheimen, haar groote smarten en haar eenvoudige genoegens voor zich houden. De geschiedenisvan die streken is meestal niet bekend. Men ontmoet er, wat men nergens anders vindt: zaken en menschen zijn er nieuw. Dielanden hebben,—zonder het aan iemand te zeggen,—soms ook hun helden, waarachtige helden.

Ik houd ook veel van helden,—vooral als zij er zich niet op beroemen, dat zij ’t zijn,—als zij eerlijk en oprecht zijn, alszij groote dingen doen, zonder luidkeels te roepen: “Kijk [2]eens aan! dat heb ik nu gedaan! Onthoudt mij mijn belooning daarvoor niet!” maar alleen omdat zij niet anders zouden kunnendan heldhaftig te zijn.

Welnu, in dat afgelegen hoekje van de Ukraine stond vroeger een huis, dat precies gebouwd was als andere buitenhuizen; endit huis werd bewoond door een kozak, Danilo Tsjabane, en zijn gezin.

Men verwarre de kozakken uit de Ukraine niet met die van den Don, met die mannen met hun zware baarden, hun woeste oogen,hun ruwe taal en hun onbeschofte manieren; zij lijken daar heelemaal niet op.

De bewoners van de Ukraine laten hun baard pas groeien, als zij vijftig jaar zijn. Daaruit volgt, dat men in dit land alleenmaar grijze baarden of geen baarden ziet. De jongeren hebben snorren, evenals de Polen. De bewoners van de Ukraine zijn groot,stevig en forsch gebouwd. Zij hebben voor ’t grootste deel regelmatige gezichtstrekken, keurig gepenseelde wenkbrauwen, grooteoogen, en een kalme, edele, eenigszins strenge gelaatsuitdrukking, die wel eens somber schijnt.

In den tijd, toen de Ukraine een republiek was, zag zij zich gedurende verscheidene jaren tusschen twee vuren geplaatst: Ruslanden Polen. Men zou zelfs kunnen zeggen; “tusschen vier vuren,” als men de Turken en de Tartaren meetelde. Eindelijk had dezerepubliek, omdat zij het met de Polen niet eens kon worden, de “broederlijke” voorstellen van Rusland aangenomen.

“Wij zijn te zwak om met onze naburen te blijven vechten. Wij hebben den oorlog tot dusverre met roem gevoerd; maar wij zullentenslotte toch moeten verliezen. Rusland stelt ons een verbond voor. Laat ons dit aannemen.”

Zoo dacht en sprak het oude opperhoofd Bogdan Kmielnitski, en het volk had zijn raad opgevolgd.

In het eerst ging alles goed. Vrijheid, gelijkheid, broederschap: de Russen eerbiedigden dat alles; maar langzamerhand [3]kwam er verandering in den staat van zaken.

Danilo Tsjabane en zijn gezin. Blz. 2.

Danilo Tsjabane en zijn gezin. Blz. 2.

Na verloop van nog geen jaar had het volk genoeg redenen [4]om tegen zijn opperhoofd Bogdan te zeggen: “Wat hebben wij gedaan?”

Toen de oude Bogdan dit hoorde, huilde hij, naar men zegt, voor het eerst van zijn leven.

“Laat ons een poging doen om het gedane te herstellen,” zei hij; maar hij slaagde er niet in en stierf van verdriet.

Na zijn dood had de Ukraine veel beproevingen te doorstaan. Zij werd in twee partijen verdeeld: de eene was nog altijd voorRusland, de andere hield het met Polen.

Maar er was ook een derde partij ontstaan. Deze was voor de volstrekte onafhankelijkheid van de Ukraine. Ongelukkig was diepartij niet talrijk. Op het tijdstip dat de zaken zoo staan begint ons verhaal.

De kozak Danilo Tsjabane dan, bewoonde met zijn gezin een huis op het platteland.

Danilo had dit huisje geërfd: zijn vader, die het van zijn vader gekregen had, die het ook weer van den zijnen had gekregen,had het hem bij zijn overlijden nagelaten. Ik weet niet, hoevele geslachten van de Tsjabanes daarin wel gewoond hadden.

Het huis was, daar het tusschen een onafzienbare steppe en een uitgestrekt bosch, tusschen een diepe rivier en een grasrijkeweide, tusschen een hoogen berg en een frissche vallei stond, prachtig gelegen en mooi gebouwd.

In het noorden strekte zich een eindelooze steppe uit. Men zou gezegd hebben, dat het een oceaan van groen was, met bloemenbezaaid. In het zuiden verhieven zich de bergen, nu eens met boomen begroeid en groen gekleurd, dan weer kaal en steenachtig.De vallei, waarin geen rijwegen en zelfs geen voetpaden te zien waren, strekte zich aan den oostkant uit. De rivier, waarvanhet water eene blauwachtige tint had, besproeide de weide.

En bij dat alles, hadden de bewoners van het huisje, om hun geluk volmaakt te voelen in hun nabijheid goede buren en trouwevrienden.[5]

Op feestdagen ontving het gezin van Danilo Tsjabane verscheidene bezoekers. Nu eens was Semene Vorosjilo de eerste, die kwam,dan weer Andry Kroek, of ook hoorde men reeds in de verte de heldere en welluidende stem van Hanna, die zoo hartelijk konlachen, of zag men het kleine schuitje van Wassiel Grime aanleggen. En na deze kwamen er nog vijf, soms wel tien anderen,mannen en vrouwen, jongens en meisjes, ook wel kinderen en zelfs grijsaards; want iedereen was er op gesteld, Danilo te bezoeken.

Op het oogenblik waarop ons verhaal begint heerschte er, zooals we reeds gezegd hebben, overal in de Ukraine groote verwarring.

Het land, aan den eenen kant door de Russen begeerd, aan den anderen door de Poolsche aristocratie, van beide kanten verpletterd,was in vollen opstand en betreurde zijn verloren onafhankelijkheid diep. De Ukraine was door de Russische troepen overstroomd.Het opperhoofd van de Moscovitische party werd met gunsten en geschenken van den Czaar overladen; het opperhoofd van de Poolschepartij had zich in een stad versterkt en noodigde alle vrienden der vrijheid uit, zich bij hem aan te sluiten.

Het was moeilijk partij te kiezen...


Er was een samenkomst ten huize van Danilo Tsjabane. De avond was somber, de gasten waren in gedachten verzonken. De aanvoerderszelf hadden moeite om een vroolijk gezicht te zetten. Men keek elkander meer aan, dan men met elkaar sprak. Het was duidelijkte zien, dat allen onder dezelfde zorgen gedrukt gingen.

Van tijd tot tijd richtte men enkele vragen tot Andry Kroek: “Waren de muren van Tsjigirine stevig genoeg om een aanval teweerstaan? Was er op de verdedigers wel staat te maken? Als men de laatste proclamatie van het opperhoofd nog eens voorlas?Er waren er die er niets van wisten. Had hij ook gehoord, of er zich veel vrijwilligers aanmeldden?”[6]

Andry Kroek, die blijkbaar zeer goed over al die dingen ingelicht was, antwoordde zonder eenige aarzeling. Hij beschreef dewallen, de grachten, de poorten en de schansen van Tsjigirine, als iemand, die er geweest is en dat alles meer dan eens gezienheeft, en wel nog niet zoo lang geleden.

Terwijl de mannen praatten, stonden de spinnewielen stil: de vrouwen luisterden in angstige spanning. En als de mannen zwegenen rookten, wisselden zij op fluisterenden toon een paar woorden.

“Alweer een slag bij Welika,” zeide er een.

“Hoeveel dooden?” vroeg Mogila.

“Men heeft Terny in brand gestoken; de huizen zijn niet meer dan een puinhoop, en het dorp Krinitza staat nog in brand.”

“Weet je ook,” zei een meisje, “weet je ook, of...”

Maar verder kwam ze niet; tranen kwamen in haar oogen, en moedeloos liet zij het hoofd zinken.

Een oude vrouw, met een bruinen doek om het hoofd, waaruit weelderige grijze lokken te voorschijn kwamen, met een koud enstreng gezicht, waarin twee groote zwarte oogen als sterren fonkelden, zei:

“Mijn zoons zijn allen dood. Ik sta alleen op de wereld. Zij zeiden allen: ‘Wij trekken ten strijde,’ en ik keek ze aan, zeggende:‘Goed, kinderen!’ en zij voegden er bij: ‘De Ukraine zal haar onafhankelijkheid herkrijgen!’ en ik antwoordde nogmaals: ‘Goed,kinderen!’ Alle drie zijn zij op het slagveld gebleven, en de Ukraine is nog niet vrij!”

“Ach,” zei een jonge vrouw, “men laat zich doodschieten, en men heeft nog niets gewonnen. Als men nog maar bij zich zelf konzeggen: ‘Ik sterf, maar ik laat aan de anderen de taak over, waarnaar ik heb gestreefd.’

De oude vrouw viel haar in de rede.

“Je hebt mij niet begrepen. Als er sprake van het vaderland is, dan onderhandelt men niet, dan zegt men niet bij zich zelf:‘Zal ik slagen?’ maar: ‘Het is mijn plicht,’ en men gaat ten oorlog. Als men gedood wordt, heeft men een [7]gelukkigen dood; goed te sterven is een beter lot dan slecht te leven. Mijn zoons hebben zoo gehandeld. Als zij nog eens tenstrijde konden trekken, zouden zij het weer zoo doen.”

“Je hebt gelijk,” zeiden verscheidene vrouwen.

Anderen zeiden niets, maar begonnen zacht te huilen. De kinderen waren ook terneergeslagen. Zij speelden niet, zij praattenof lachten niet, maar zaten, heel stil, in de hoeken van de kamer, terwijl zij naar de groote menschen keken en naar hun gesprekkenluisterden.

Een klein, heel klein meisje, met blond haar, met groote, frissche fonkelende oogen en lippen, scheen de eenige, die geheelin haar eigen gedachten verdiept was. Zij nam eenige biezen in haar schort en vlocht daarvan een mooie mat.

Het werd later op den avond, en in het vertrek werd het al somberder en stiller. Iedereen bewaarde het stilzwijgen: het meisjeviel in slaap met haar onvoltooide mat tusschen haar vingers.

De nacht brak aan, en de sterren fonkelden.

Eensklaps werd er op het raam geklopt.

Dit was zoo onverwacht, dat niemand zijn ooren wilde gelooven; maar men klopte nog eens, en nog eens, heel duidelijk, erghard.

De heer des huizes stond op en ging naar de deur om open te doen. Zijn gasten en zijn vrienden staken hun pijpen op en begonnente rooken. Weer deed zich een luid geklop op de ruiten hooren. De rookers huiverden, de kinderen keken elkander aan. Danilodeed de deur half open.

“Wie klopt daar?” vroeg hij.

Eene stem, een krachtige en mannelijke stem antwoordde, dat een verdwaalde reiziger gastvrijheid vroeg.

“Wees welkom!” zeide Danilo en hij deed de deur wijd open, terwijl hij den reiziger uitnoodigde om binnen te komen.

Men zag enkele sterren, een koude avondwind drong in de warme kamer door; vervolgens vertoonde zich op den drempel een man,die een rijzige gestalte had; hij was genoodzaakt [8]z’n hoofd te buigen, om binnen te kunnen komen.

Zijn gezicht was een van die edele, waarop de onverschilligste blikken zich met een plotseling gevoel van achting vestigen.Zijn groote gestalte was sierlijk en lenig. Zijn heele voorkomen verried kalmte en sterkte; maar het meest vielen zijn oogenop, zwarte oogen, die fel schitterden.

Danilo en zijn vrienden waren door dat alles getroffen; maar de Ukrainiërs kunnen hun gewaarwordingen voor zich zelf houden,en zij lieten er dan ook niets van blijken. Zij ontvingen den reiziger, zooals iedere reiziger in een fatsoenlijk huis moetontvangen worden, met hartelijkheid en voorkomendheid. Men verzocht hem, bij de tafel plaats te nemen, en haastte zich, hemiets aan te bieden.

De reiziger bleek een eenvoudig en beschaafd man te zijn. Omdat hij een onbekende was en bijgevolg geen recht had om zichmet de bijzondere belangen van zijn gastheer en diens vrienden te bemoeien, trachtte hij zich niet op den voorgrond te plaatsen.Hij vertelde niet, zooals anderen dit zouden gedaan hebben, zijn avonturen. Hij meende vreemdelingen geen deelgenoot te moetenmaken van zijn plannen, als hij die tenminste had. Hij deed geen vragen en antwoordde slechts met weinig woorden. Als hijsprak, dan was het over onderwerpen, die op dit oogenblik allen bezighielden: over de rampen van het land, over de verbrandesteden, over de verwoeste velden, die hij op zijn weg had gezien. Danilo en zijn vrienden volgden zijn voorbeeld. Zij vroegenzich waarschijnlijk wel af, waar hij vandaan kwam en waar hij naar toe ging, en ook in welk land hij geboren was; maar omdathij dat niet zei, vroegen ze ’t hem niet. Men merkte wel, dat hij, ofschoon nog jong, veel wist. Hij kende de Turksche zeden,de Poolsche gewoonten, het Russische

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 23
Comments (0)
reload, if the code cannot be seen
Free online library ideabooks.net