» » » Zonnestralen in School en Huis

Zonnestralen in School en Huis

Zonnestralen in School en Huis
Title: Zonnestralen in School en Huis
Release Date: 2006-05-21
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 25 March 2019
Count views: 37
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 40

Zonnestralen

In school en huis.

Te Groningen bij J.B. Wolters, 1900.

[Inhoud]

Stoomdrukkerij van J.B. Wolters

Inhoudsopgave

[1]

[Inhoud]

De Sprookjesfee.

Wie wel het allermooist vertellen kan? Dat is de sprookjesfee. Die moest jullie eens kunnen hooren! Maar hoe krijg je diete hooren? Ja, dat is maar zoo gemakkelijk niet. Ik weet er maar één, die haar heeft horen vertellen; maar dat was dan ookeene prinses, en die prinses.... Neen, ik wil van voren af aan beginnen.


Toen die prinses een prinsesje was, was ze dol op vertellen. En omdat ze een prinsesje was, kreeg ze heel veel vertellingente hooren. Denk eens aan: zooals andere kinderen wel eens eene juffrouw in huis hebben, om hun te leeren, zoo had het prinsesjeeene aparte juffrouw om haar te vertellen. Of ze dan niet behoefde te leeren? Nu—juist heel veel. Daarom zei haar vader, dekoning: “Ons kind moet zóóveel leeren, ze moet altijd zoo goed luisteren, om allerlei moeilijke dingen te begrijpen, ze zalook eens luisteren naar iets, dat niet moeilijk te begrijpen is, luisteren puur voor haar plezier. Ik denk maar zóó: korenbloemenlijken aardig tusschen het koren, al doen ze geen nut. De menschen vinden een korenveld met bloemen vriendelijk om te zien.Vertellingen zijn ook de bloemen tusschen al de moeilijke lessen. En—de korenbloemen doen nog wel schade, want ze nemen vanhet voedsel, dat eigenlijk voor het koren was, maar de vertellingen doen zeker geene schade. Hoort mijn kind van goede menschenvertellen, dan zal ze denken: zoo wil ik ook worden. Wordt haar van slechte menschen verteld, dan denkt ze: zóó wil ik nietzijn. Hoort ze eene grappige geschiedenis, dan zal ze zich frisch en vroolijk lachen. Lachen is gezond, en die gezond is,kan ook flink leeren.”—Zoo praatte de koning, die de vader was van het prinsesje. Daarom kreeg het prinsesje eene verteljuffrouw.[2]

Nu ging er geen dag voorbij, of het prinsesje ging met die juffrouw in een gezellig torenkamertje van het paleis. Daar werddan verteld. Dat kamertje hadt jullie moeten zien! De wanden waren gewatteerd en met lichtblauw fluweel behangen. Vóór dedeur een ruim fluweelen gordijn. Nergens kon geluid door: stil moest het wezen onder ’t vertellen, heel stil. Op de fluweelenwanden hingen de prachtigste platen van Roodkapje, van Klein-Duimpje en van allerlei andere menschen en dieren uit vertellingen.Gouden lijsten waren om die platen. Soms ook bloemenlijsten. Zoo was er om Goudkindje een goudfluweelen lijst, beschilderdmet madeliefjes.

’t Liefst mocht het prinsesje hooren vertellen in schemerdonker. Dan hingen en stonden er in het kamertje brandende lampjesmet gekleurde ballons en gekleurde zijden kapjes. Die maakten een zacht gekleurd licht. Dat leek zoo tooverachtig, zei hetprinsesje. En in dat tooverachtige licht zaten ze dan met hun tweetjes: de juffrouw in een grooten leunstoel, het prinsesjeop een laag vouwstoeltje aan haren schoot. Dan begon het: “Er was eens....” Vertellingen, die met “Er was eens” begonnen,vond het prinsesje het mooist. Nooit was de verteljuffrouw uitverteld. In het paleis was ook eene kamer met wel tien boekenkasten,en àl die kasten stonden vol sprookjesboeken. Dat was de studeerkamer van de verteljuffrouw. De boeken waren allemaal in prachtbanden goud op snêe. Bij elke vertelling was eene plaat, van dezelfde platen, die in het vertelkamertje achter lijst en glas hingen.Want ieder keer, als eene vertelling verteld was, werd dezelfde plaat, die in het boek was, besteld om opgehangen te worden.

Zoo was het, zoo ging het, toen het prinsesje klein was. Nu was ze eene prinses, nu was ze groot geworden. De verteljuffrouwwas er niet meer. Voor groote menschen vertelt men niet. Wat er nog wel was, dat was het torenkamertje. Daar was alles ookprecies zoo gebleven. Zoo wou de prinses het. Geene plaat mocht in het kamertje verhangen worden, bijna mocht er geen stoelworden verzet. De kamer met de boekenkasten vol sprookjesboeken was er ook nog. Wat deed de prinses nu? Niet elken dag, maarheel dikwijls ging ze met een sprookjesboek onder den arm naar het torenkamertje, altijd in het schemeruur. Dan stak ze alde lampjes aan, schoof het gordijn voor de deur en vlijde zich in een gemakkelijken vouwstoel, net als toen ze nog een kleinmeisje was. Dan las ze, las ze al de sprookjes die haar [3]vroeger verteld waren. Weer had ze schik, maar toch lang niet zooveel als vroeger. Vertellen vond ze veel mooier dan lezen.“Hè,” zei de prinses dikwijls, “wat was dat toch een heerlijke tijd, toen ik elken dag hoorde vertellen. Ik zou wel willen,dat die tijd nog eens weerom kwam. Ik ben toch zoo dol op sprookjes.”—“Weet je wat,” zei de koning, “ik zal je nog eens naarde sprookjesfee brengen.”—“Hè, ja, Vader,” zei de prinses, “doe dat maar. Ik wil toch zoo graag eens naar het oosten reizen.Daar woont immers de sprookjesfee?”—“Ja,” zei de vader, “de sprookjesfee woont in het oosten, in het land van zonneschijnen bloemen. Maar—ik weet niet precies waar.”—“O, dat is niets, dat kunnen we wel vragen,” riep de prinses. “Toe, Vader, wanneergaan we op reis?”—“Ho, eens,” zei de vader, “bedaard, ik heb het nu veel te druk met de zaken. Maar zoodra ik tijd heb, zalik je waarschuwen. Dat beloof ik je.”

Wat viel de prinses het wachten moeilijk! Eindelijk op een’ morgen zei de koning: “Nu maar den koffer gepakt, morgen reizenwe.” En den volgenden morgen waren Vader en dochter op weg. Hoe lang ze wel reisden, voor ze in ’t land van de sprookjesfeekwamen, en hoe lang ze wel zochten en vroegen, voor ze wisten, waar de fee woonde, weet ik niet. Eindelijk werd hun een boschaangewezen: daarin moest het huis van de tooverfee zijn.

Heel, heel diep in het bosch, ja, daar stond het. ’t Was een klein, wit huisje, rondom met klimop begroeid. Een dwergje deedde deur open. Ze werden in eene kamer gelaten vol zonneschijn en bloemengeur. De fee kwam binnen. Och, wat eene lieve oudefee was het: een gezicht, zoo vriendelijk, een wit kanten mutsje op, daaruit kwamen de aardigste grijze krulletjes kijken.Zacht grijze oogen en eene stem, zoo zacht, zoo prettig te hooren, net muziek, dacht de prinses. Nu vertelde de koning, datde prinses van klein af altijd zoo dol op sprookjes geweest was, dat ze den heerlijken sprookjestijd nog nooit vergeten kon,dat ze zoo’n verlangen had, om eens éénmaal door de sprookjesfee te hooren vertellen en dat ze nu heel ver gereisd waren inde hoop, dat de fee wel zoo vriendelijk zou willen zijn..... En terwijl de vader sprak, zag de prinses de fee smeekend aan.

Toen zei de fee: “Kijk, dat vind ik aardig, dat je zoover gekomen bent, om mij eens te hooren vertellen. Zeker wil ik het.Ga maar zitten en zie [4]me goed in de oogen. Kijk ik begin al: ‘Er was eens.....’” En de lieve muziek-stem klonk door de zonnige kamer, en de prinseshoorde de stem, maar ze zag de kamer niet. Ze zag alleen de oogen van de lieve oude grijze fee, en in die oogen zag ze paleizenen prinsen en dieren en bloemen en reuzen en dwergen. Toen de stem zweeg, zuchtte de prinses. Toen viel ze de fee om den hals,en ze kuste haar en fluisterde: “Dank! dank! zulk vertellen heb ik nooit eerder gehoord. Ik zou wel een heelen dag willenluisteren en een’ nacht er bij.” De fee glimlachte: “Kom morgen weer,” zei ze. “Mag ik, lieve fee, mag ik, Vader?” vroeg deprinses. De fee knikte, en de vader knikte, en den volgenden dag zat de prinses weer met kloppend hart te luisteren, en zevond de tweede vertelling nog mooier dan de eerste.

Nog eens kwam de prinses bij de fee, en ze vond de derde vertelling mooier dan de tweede. Toen moest de prinses afscheid nemen;de koning had het te druk om langer uit te blijven, die moest weer naar zijn volk, die moest zijn land regeeren. De prinsesgaf de fee de hand. Ze had de tranen in de oogen. “Ik zal U nooit vergeten, lieve fee,” zei ze. “Ik ben heel dankbaar en heeltevrêe; maar o, ik wou dat U mijne grootmoeder was, dan kon ik nog veel langer bij U blijven. Dan mocht ik bij U logeeren.....”“Weet je wat, zei de fee, “blijf eene poos bij mij. Voor drie vertellingen zoo ver te reizen is toch ook wel wat erg.”—“O, Vadertje,” smeektede prinses, “als dat eens mocht!”—“Het mag,” zei de vader. “Over zes weken zal ik je terug komen halen. Is dat goed?”—“Heerlijk!”riep de prinses, “o, wat heb ik toch een lieven vader!”—

Zóó bleef de prinses bij de sprookjesfee. Zoolang het dag was, deed de prinses alles, wat ze maar kon, om de fee genoegente doen. Als het avond werd, vertelde de fee. Dat was een heerlijk leventje.

Zoo ging de ééne dag na den anderen in heerlijkheid voorbij, zoo ging er eene week, zoo gingen er weken voorbij. Toen—de zesdeweek was juist begonnen,—kwam de fee op een’ avond met een grooten brief, waar wel vijf lakken op zaten, binnen. Ze lei denbrief op de tafel, ging in den grooten leunstoel zitten, wachtte, tot de prinses tegenover haar zat en begon:

“Er was eens een kleine prins. Zijne moeder was gestorven, toen hij nog [5]heel klein was. Nu hadden allen in het paleis erg medelijden met den moederloozen prins. Ieder wilde lief en goed voor hemzijn, ieder wilde hem alles naar den zin maken. Zijn vader, de koning, was bang, dat de kleine prins vertroeteld zou worden,en dat wilde hij voor nog en nog zooveel niet. De prins moest na zijn’ dood over een groot land regeeren, de prins moest flinken knap en manlijk worden. Daarom verbood hij al die lievigheden, en hij liet een geleerden man komen, om den prins knap temaken en op te voeden en den heelen dag om en bij den prins te zijn. De koning en de geleerde maakten eene lange lijst vanalles, wat de prins over den heelen dag moest doen. Dat ging maar: van 7–8 dit, van 8–9 dat. Ieder uur wat anders. Lezen,Schrijven, Rekenen, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Fransch, Duitsch, Engelsch, Spaansch, Italiaansch ....

—“En vertellen,” fluisterde de prinses.

“Neen,” zei de fee, “vertellen stond niet op de lijst.”—“Arme prins!” zei de prinses. “Luister,” zei de fee. “Een sprookjemocht den prins nooit verteld worden. ‘Sprookjes! onzin!’ zei de koning. ‘Sprookjes zijn als de bloemen op een korenveld.Ze nemen het voedsel, dat voor het koren is—weg er mee—’t is onkruid.’”

Nu werd de prins van dag tot dag grooter en wijzer en knapper, maar toen de prins groot en wijs en knap was—werd de prinsziek. Dat was nu wel treurig. Natuurlijk liet de koning dadelijk een’ dokter komen. De dokter gaf pillen en poeders en drankjes,maar de prins bleef ziek. Een ander dokter—pillen, poeders, drankjes—de prins bleef ziek. Weer een ander dokter en weer eenen weer een: de prins werd bij den dag magerder en lusteloozer. Wat scheelde den prins toch eigenlijk, wat voor ziekte hadhij? Geen een van al de dokters wist het. De koning was wanhopig. Hij liet telkens en telkens weer een anderen dokter roepen—allesvergeefsch.

Eindelijk hoorde hij spreken van een’ professor, die zieken genas, waar niemand raad voor wist. Dat was iets voor den koning.Dadelijk werd er een bode naar den beroemden professor gezonden met vriendelijk verzoek, zoo spoedig mogelijk bij den ziekenprins te komen.

De professor kwam. De koning stond met angstig kloppend hart bij het ziekbed. De professor onderzocht het heele lichaam vanden zieke. Hij [6]luisterde, hoe het hart klopte, hij voelde den pols, bekeek de handen, keek in de ooren, in de oogen, in den mond, streeklangs de wangen en langs de voetzolen. Toen zette hij een heel

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 40
Comments (0)
reload, if the code cannot be seen
Free online library ideabooks.net