Nederland en de Islâm

Nederland en de Islâm
Title: Nederland en de Islâm
Release Date: 2017-05-30
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 27 March 2019
Count views: 10
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 24
[Inhoud]

NEDERLAND EN DE ISLÂM.

NEDERLAND EN DE ISLÂM
2e VERMEERDERDE DRUK
Uitgeverslogo E. J. Brill: Tuta sub aegide Pallas.

N. V. BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ
VOORH. E. J. BRILL LEIDEN
1915
[Inhoud]

BOEKDRUKKERIJ voorheen E. J.BRILL.—LEIDEN. [V]

[Inhoud]

VOORREDE.

Bijna vier jaren geleden leidde ik de eerste uitgavevan dit thans voor de tweede maal verschijnende werkje met de hierondervolgende woorden bij den lezer in:

“Op uitnoodiging mijner mede-curatoren derNederlandsch-Indische Bestuursacademie sprak ik in Maart 1911 voor deaan die Academie studeerende ambtenaren de vier voordrachten uit, diehier in druk eenen grooteren kring van lezers aangeboden worden. Dezeomstandigheid moge ter verklaring dienen van hetgeen sommigen hier tekort, anderen weder te wijdloopig behandeld mochten vinden”.

“Gerekend is immers op toehoorders, voor wie de Islâmèn door hunne vroegere opleiding, èn door hunneambtelijke ervaring geen onbekende grootheid was, maar voor wie tochook weer, daar de gelegenheid tot diepere studie van de Mohammedaanschecultuur hun had ontbroken, eene beknopte herinnering aan het vroegergeleerde of waargenomene niet onwelkom kon zijn. Verder mocht bij henin den regel bekendheid door eigen aanschouwing met het leven vanIndonesische Mohammedanen ondersteld worden. Toch heb ik gemeend voormijn betoog de aandacht te mogen vragen ook van anderen, die hetzijvoor de voornaamste vraagstukken der koloniale politiek, hetzij voor deproblemen, die de Islâm aan de [VI]Westerschewereld ter oplossing voorlegt, eenige belangstelling overhebben”.

“De richting, waarin ik de oplossing van hetIslâm-probleem voor Nederland vond, werd natuurlijk gewezen doorhet beginsel, dat naar mijne overtuiging in het algemeen de verhoudingmoet bepalen tusschen moederland en koloniën, tusschen de aanWestersch gezag onderworpen volken en degenen, aan wie de geschiedenishet gezag over hen in handen heeft gegeven. Daar tegenwoordig in onsvaderland alle politieke partijen te dezen aanzien in hoofdzaakééne lijn trekken, heb ik het onnoodig geacht, daaroveropzettelijk uit te weiden. Al mogen de opvattingen in het bijzonderenog verschillen, er is eenheid in het noodigste, namelijk in deerkenning van de ethische koloniale politiek als de eenigmogelijke”.

“Nu zijn mij echter van zeer geachte zijde naar aanleidingmijner voordrachten een paar vragen gesteld, die mij nopen, mijnalgemeene uitgangspunt bij het onderzoek der hier door mij behandeldevraagstukken, gelijk bij alle andere, die de koloniale politiekbetreffen, wat scherper te formuleeren”.

“De vragen kwamen in hoofdzaak hierop neer, of dan niet hetverwerven en behouden van koloniën bovenal voordeelen voor hetmoederland ten doel moest hebben, en of niet de door mij en anderenbepleite krachtige bevordering van de associatie der Inlandschemaatschappij aan onze beschaving op den duur tot het verlies onzerkoloniën zou leiden”.

“Het zij mij vergund, met allen eerbied ook voor opvattingen,die aan de tijden der Compagnie en van het cultuurstelsel doen denken,mijne zienswijze zonder verder betoog apodictisch uit tespreken”.

“De exploitatie-theorie behoort tot een verleden, [VII]dat wij niet terugwenschen en dat wij, alwenschten wij het, niet uit den dood kunnen doen verrijzen, zelfs nietin een nieuwen vorm. Zelfs al zou men eenzijdig voordeel voor hetmoederland als hoogste doelwit van het koloniale bestuur ook in onzentijd willen laten gelden, dan toch zou een staatsman, die wat ver voorzich uit ziet, dat voordeel nergens anders kunnen ontdekken dan in eenetoekomst, waarin de inboorlingen der koloniën door ons op dehoogste plaats gebracht zijn, die hun aanleg hen in staat stelt, in tenemen. Heeft die verheffing der inheemsche bevolking, die zijzelvezoekt en dus ook vinden zal, onder onze krachtige leidingplaats, dan hebben wij de grootst denkbare kans, dat het moederland erin uitbreiding evenveel bij winnen zal als de vroeger overheerschten,nu geassocieerden, in hoogte”.

“Wat de aardbol over een eeuw te zien zal geven, dat laat zichnoch van het standpunt der ethische, noch van dat derexploitatie-politiek waarnemen. Vraagt men mij echter, onder welk derbeide régimes het verlies van Oostersche wingewesten binnen dehonderd jaren waarschijnlijker is, dan zeg ik zonder eenige aarzeling:niets kan zulk verlies zekerder verhaasten dan zelfzuchtige kolonialestaatkunde van de soort, die ons uit de annalen der Oost-IndischeCompagnie en van het cultuurstelsel van al te nabij bekend is, enwelker doodvonnis door het hooggerechtshof der geschiedenis geruimentijd geleden bekrachtigd werd”.

De redactie van de “Revue du MondeMusulman” liet deze voordrachten voor haar tijdschrift in hetFransch vertalen, en stelde die vertaling ook afzonderlijk verkrijgbaar[VIII]onder den titel “Politique Musulmane de la Hollande”. Maar ook in onsland hadden zij zich niet te beklagen over gebrek aan belangstelling,en de hoofdgedachten, die eraan ten grondslag lagen, vonden in wijdenkring instemming.

Dit laatste was voor den schrijver bijzonder aangenaam, en hetalleraangenaamst trof het hem, dat die instemming kwam uit kringen vanzeer uiteenloopende staatkundige en godsdienstige richting. Het iswerkelijk dringend noodig, dat wij voor de vervulling onzer nationalepedagogische taak jegens de Mohammedaansche onderdanen van denNederlandschen staat eene gedragslijn vinden, die voor de beweging vandie verschillende richtingen ruimte laat. Indien dit onmogelijk bleek,dan waren de dagen van ons bestaan als koloniale mogendheid geteld. Diegemeenschappelijke gedragslijn, de grootst gemeene deeler van allerwenschen, die dan door ieder voor zich met een eigen factorvermenigvuldigd mag worden, is te vinden, wanneer mengezamenlijk ernstig er naar zoeken wil, niet, wanneer ieder, star voorzich uit kijkend, zijn eigen stokpaardje blijft berijden, ondervoortdurend aanbotsen tegen de andere ruiters. De grootste voldoeninggaven mij de bewijzen van sympathie, die ik uit de kringen vanzendelingen en zendingsvrienden mocht ontvangen, omdat, zooals ik inmijne vierde voordracht opmerkte, het besef van de taak, die ons volkten aanzien der Inlandsche maatschappij te vervullen heeft,dáár het levendigst is. Het spreekt wel van zelf, datdiegenen onder hen, die zelf practisch op dat gebied werkzaam zijn, enaldus ervaring opdoen van allerlei bezwaren, waarover dezendingsvrienden in het moederland vaak luchtig heen redeneeren, meerneiging vertoonen dan deze laatsten om met vollen ernst te luisterennaar voorstellen betreffende een compromis, waartoe het in dewerkelijkheid, zooals zij wél [IX]weten, tochaltijd komen moet. Daarom had de waardeering, die ik juist van hunnezijde ruimschoots mocht ondervinden, voor mij dubbele waarde, en hielpzij mij om de ook niet ontbrekende wanklanken zonder ontmoediging tevernemen. Dit werd mij trouwens in het bijzonder gemakkelijk gemaaktdoor zulke besprekers, die blijk gaven, dat hun godsdienstig denkendoor politieke partijschap in bedenkelijke mate geinfecteerd was. Zoobijv. een schrijver in “Stemmen des Tijds”, die nietalleen dikwijls eene geheel scheeve voorstelling van mijn bedoelinggaf, maar naief genoeg was om te verklaren, dat hij bij eerste lezingmijner voordrachten gemeend had, dat “wij het werk met vereendekrachten konden doen”, maar dat hij vervolgens door de debattenin de Tweede Kamer tot een juister inzicht werd gebracht. Duidelijkerkan men niet uitkomen voor de verpolitieking zijner inzichten over degroote vraagstukken van “Oost en West”, die ons volk zichter oplossing voorgelegd ziet.

Wie zich bij de behandeling dier problemen niet weet teverheffen boven het kleinzielige partijleven van onze vaderlandschepolitiek, die blijve er af; zijn arbeid, hetzij voor de Christelijke,hetzij voor de nationale zending in onze koloniën, is van tevorenmet onvruchtbaarheid geslagen.


Juist toen ik gereed was met het aanbrengen van enkele verbeteringenen aanvullingen voor de tweede uitgave mijner voordrachten, gaven dejongste gebeurtenissen op het groote wereldtooneel mij aanleiding tothet schrijven van een Gidsartikel over de wijze, waarop Duitschlandonlangs begonnen is te trachten, het Mohammedaansche fanatisme aanzijne belangen dienstbaar te maken. Het kwam mij voor, dat bedoeldopstel, met een paar kleine toevoegingen, als vijfde hoofdstuk van[X]dit boekje niet misplaatst zou zijn. Mijnondertitel “Vier Voordrachten, gehouden in deNederlandsch-Indische Bestuursacademie” moest dan natuurlijkvervallen, maar “Nederland en de Islâm” mochthet geheel ook nu blijven heeten, want ook voor de NederlandscheIslâmpolitiek is het van hoog belang, zich rekenschap te gevenvan de wegen, waarin groote mogendheden van Europa het politieke levenvan de Mohammedanen pogen te leiden en van de houding, die ons tenaanzien dier pogingen past.


Eerst na het afdrukken van dit hoofdstuk is mijne aandacht gevestigdop eene vergissing, die mij eene uitdrukking van Becker onjuist deedinterpreteeren. Bladz. 133, regel 12–14 moet als volgt gelezenworden: Becker heeft tot voor korten tijd deze “Betonung des Kalifats als einen Fehler aus Unkenntnisbeurteilt”, enz. Ik had ten onrechte de woorden“aus Unkenntnis” als bepaling van beurteilt in plaats van bepaling van Fehleropgevat.

Sommigen mijner Duitsche vrienden—ik teeken uitdrukkelijk aan,dat anderen mij hunne geheele of gedeeltelijke instemming met mijneuiteenzetting betuigden—hebben de bedoeling van dit artikelmisverstaan, en daarin een verholen partijkiezen tegen Duitschland alsoorlogvoerende partij willen zien. Dat zulk eene bedoeling mij geheelten onrechte toegedicht werd, behoef ik aan onbevangen lezers nietuitdrukkelijk te verzekeren. De weinige regels, die (op bladz.102–3) in het algemeen over dezen ellendigen wereldstrijdhandelen, geven duidelijk genoeg te kennen, dat ik te dien aanziengeheel neutraal denk, niet omdat ik burger ben van een neutralen staat,maar omdat ik mij oprecht en van harte onbevoegd verklaar, de eenepartij voor meer of minder schuldig te houden aan de ontbranding dan deandere. [XI]Overigens heb ik mij streng bepaald tot mijnonderwerp, de bespreking van het gebruik, dat Duitschland in denlaatsten tijd tracht te maken van de voor den Islâm vroeger zoogewichtige ideeën van het chalifaat en van den heiligenoorlog.

De behandeling hiervan lag op mijnen weg, en ik mocht mij daaraanniet onttrekken, zoowel omdat ik mijn leven goeddeels gewijd heb aan destudie van den Islâm, vooral ook in zijne beteekenis voor onzedagen, als ook, omdat elke poging om het bijna gebluschte vuur dermiddeleeuwsche politieke idealen van den Islâm weer te doenopflikkeren ook voor de Mohammedaansche bevolking der Nederlandschekoloniën gevaarlijk kan worden. Zooals ik bij vele gelegenhedenbetoogd heb, het panislamisme is niet in staat, aan denIslâm zijne middeleeuwsche positie van eene door de overigewereld gevreesde wereldmacht te hergeven. Maar wat het welvermag, dat is tijdelijk en plaatselijk beperkte stoornissen te weeg tebrengen, ten nadeele van de Mohammedanen zelve en van de Europeeschenaties, die Mohammedaansche onderdanen hebben. Zulke stoornissen uit telokken, het allengs uitstervende Mohammedaansche fanatisme totontwaking te prikkelen, dat acht ik misdadig, en mijne Duitschevakgenooten, die zich over dit vraagstuk uitlieten, dachten er steedsevenzoo over. Dat sommigen hunner in de laatste maanden opeens vanmeening veranderd zijn, kan niemand meer betreuren dan ik, die aan deDuitsche wetenschap zooveel te danken heb en die in geen vreemd landmeer beproefde vrienden heb dan in Duitschland. Ik ben er zeker van,dat wij hier te doen hebben met een voorbijgaand ziekteproces,veroorzaakt door de ook in andere oorlogvoerende landen waar te nemenverstoring van het moreele en intellectueele evenwicht. Zoolang echterhet herstel nog niet is [XII]ingetreden, behooren wij datproces nauwlettend gade te slaan, en voor onszelve op voorzorg bedachtte zijn. Niets zou mij aangenamer zijn, dan dat zich spoedig debehoefte aan eene derde uitgave van dit boekje deed gevoelen, en datdan inmiddels de orkaan, die thans ook op geestelijk gebied aan hetwoeden is, gestild en zoo een herdruk der bespreking dezer afdwalingoverbodig geworden was.

Comments (0)
reload, if the code cannot be seen
Free online library ideabooks.net