» » » De complete werken van Joost van Vondel. De Amsteldamsche Hecuba

De complete werken van Joost van Vondel. De Amsteldamsche Hecuba

De complete werken van Joost van Vondel. De Amsteldamsche Hecuba
Title: De complete werken van Joost van Vondel. De Amsteldamsche Hecuba
Release Date: 2018-04-30
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 27 March 2019
Count views: 89
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11

OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:

De boekomslag is gemaakt door de bewerker en is in het publieke domein geplaatst.

De originele spelling en interpunctie is gehandhaafd. Een lijst metcorrecties bevindt zich aan het einde van de tekst.Dit boek bevat een aantal referenties naar andere delen uit De complete werkenvan Joost van Vondel, namelijk Project Gutenberg e-book 30473, 52542, 55929 en 56706.Hoewel de correctheid van deze links is geverifieerd op het moment dat het boek geupload is, is er geengarantie dat deze altijd en overal werken.


DE COMPLETE WERKEN
VAN

JOOST VAN VONDEL.


[Pg 170a]

DE AMSTELDAMSCHE HECUBA.
TREURSPEL.
[Vol van verzuchtingen en overstelpt van tranen.]

Hecuba[1].

't Was Sparten niet genoeg, dat, na 't langdurig krijgen,
Ik met mijne oogen zag, hoe Pyrrhus voor 't autaar
Het grijze koningshoofd[2] greep bij 't gewrongen haar,
En met zijn lemmer ging den ouden strot doorrijgen;
Dat ik de vlammen zag van 't hof ten Hemel stijgen,
Als Hecube, uitgeput door jammren en misbaar,
Haar heldenzonen had begraven voor en naar,
En weduw bleef gemengd in 't overschot der Frijgen:
Ik most nog, onder schijn van inspraak Gods als-kaks[3],
Mijn dochter Polyxeen, mijn neef Astyanax
Zien sneuvelen door 't staal, zien storten van den toren,
En Trojens heerlijkheid vergaan in rook en damp,
En, oud verschove wijf! bestenen aller ramp;—
Hoe is een taaye ziel zoo veel verdriets beschoren!

DEN ACHTBAREN, HOOGGELEERDEN, WIJZEN,EN BESCHEIDEN HEERE
Mr. ANTONIS DE HUBERT,
OUDEN RAAD EN SCHEPEN DER STEDE ZIERIKSEE, ENRECHTSGELEERDE, ENZ.

Mijn Heer,

Wij offeren hier uwe E. de Amsteldamsche Hecuba. Dezenbijnaam draagt ze, omdat Amstelredam hare geboorteplaatsis. Verscheide vaders hebben vaderlijk recht aandit kind[4]. Zeit men, dat het schandelijk luidt, dat er meerals één vader tot een zelve vrucht gehoort[5]: wij staan hetgeerne toe: maar gelijk dat in de nature oneerlijk is, alzoozal 't hier heerlijk zijn. Beziet ze, ja, doorziet ze vrij, enzoo u dunkt, dat er iet Godlijks in haar aanschijn zweeft,denkt dat ze geboren, en ook herboren is, alzoo dat ze metrecht twee- of drie-boortige mag heeten. Dit heeft ze metgeene sterffelijke menschen, maar met den God Bacchusgemeen, die, nadat hij, als eene ontijdige vrucht, uit Semele,ter wereld kwam, in Jupiters dye[6] voldragen werd,[Pg 170b]en derhalven met recht den naam kreeg van Dithyrambos[7].Het wijze en geleerde brein van eenen, wiens standvastigheidde eeuwen doorleven zal[8], heeft de Latijnsche Troasvereerd met den titel van Regina tragœdiarum (Koninginder treurspelen). Wij wenschten, dat de Nederlandsche zulkeenen karbonkel in 't voorhoofd voeren mocht, of dat zeten minste meer luisters van Seneca ontleend hadde. Datwij uwe E. die in 't bijzonder heiligen en opdragen, geschiedttot dankbaarheid van de Psalmen, die uwe E. onstoegezonden hebt[9], en waarmede wij niet weinig vermaaktwaren, als wij met gretige ooren den Goddelijken galm vanDavids harpe vingen, en hem met geene mindere zoetigheidin zuiver Nederduitsch hoorden geluid slaan, als voormaalsin 't Hebreeuwsch de Hebreën in Judea deden. Ofwij hier alle eigenschappen onzer moederlijke tale, volgenshet afscheid der[10] dichteren[11], wel hebben waargenomen:daarvan zal uwe A. konnen oordeelen, als die hier t' huishoort, en als een treffelijk lidmaat onze letterkunstige vergaderingeniet weinig vereerde. Omhels dan, waarde heeren vriend! onzen en der anderen arbeid liefelijk, en, na uwegewoonte, straf de misslagen heuschelijk, en leef hier voorspoedelijk,en namaals eeuwelijk. T' Amstelredam, dezenzesten van Oogstmaand, 1625.

Uwe E. A. verplichte
J. VAN DER VONDELEN.


INHOUD.

Als den Grieken, nadat ze Trojen verdelgd hadden,weêr en wind tegen was, en dat ze hierdoor gehinderdwerden, anker te lichten, en naar huis te keeren, zoo verscheenhun bij nacht Achilles' schim; die belastte hen, datze Polyxena[12] zijne assche tot eene offerande zouden slachten.Agamemnon weigerde, de koninklijke maagd ter uitvaartover te geven. Nadat men Calchas om raad gevraagdhadde, antwoordde hij, dat dit niet mocht nablijven, datdeze het eenige beletsel der vlote was, en aldermeest Astyanax,de zoon van Hector, dien men noodzakelijk most terdood brengen. Waarom Ulysses Astyanax uit zijnen schuilhoekhervoor dede komen, en afstortte van de Sceeschepoorte; en Pyrrhus slachtte, op zijnes vaders tombe[13], Polyxena,die, als eene koninklijke bruid cierlijk uitgestreken[14],hem Helene toebracht.

Dezes treurspels tooneel is in der Grieken leger voorTrojen.


PERSONAGIËN.

  • HECUBA. (Weduwe van Priam, koning van Troje).
  • REI VAN VROUWEN. (Trojaansche vrouwen).
  • TALTHYBIUS. (De Herout der Grieken).
  • PYRRHUS. (Grieksch veldheer, zoon van Achilles).
  • AGAMEMNON. (Koning van Argos en Mycene, Opperbevelhebber van 't Grieksche leger voor Troje).
  • CALCHAS. (De wichelaar).
  • ANDROMACHE. (Weduwe van Hector, Priams zoon).
  • RAADSMAN. (Een grijzaart, in dienst van Andromache).
  • ULYSSES. (Koning van Ithaka).
  • ASTYANAX. (Zoontje van Hector en Andromache).
  • HELENE. (Echtgenoot van Menelaus).
  • BODE.

[Pg 171a]

De Amsteldamsche Hecuba.

DE EERSTE HANDEL.

HECUBA.
Die op een rijk vertrouwt, en kracht geeft zijn' geboden
In een geweldig hof, en niet is voor der Goden
Lichtvaardigheid beducht, en, na zijns harten lust,
Te reukeloos in weelde en blijde voorspoed rust,
Die spiegel zich aan mij en Trojen eens te dege;
't Lot wees nooit klaarder aan, hoe slibbrig d' opgestege
En pratte vorsten staan. Die pijler, trots en schoon,
Die zuil van Aziën, dat werrekstuk der Goôn,
Te gronde is neêrgestort, wien ooit[15] ten dienste stonden
Hij, die den Tanais[16] drinkt, die uit zijn zeven monden
De koele stroomen braakt; hij, die met recht gezicht
Ziet rijzen en begroet 't herboren zonnelicht,
En 's Tigers laauwen vliet mengt met de roode baren[17];
En zij, die, buurvorstin[18] der Scythen, met veel scharen,
En weduwlijke stoet, staag Pontus' strand berent;—
Dat Troje leît ter neêr, door vier en staal geschend,
Pergamum[19] heeft op 't lest met puin bestulpt zich zelve.
Daar leit die hooge praal van heerlijken gewelve[20],
't Geweld van muren, met zijn daken, gants tot schand,
Vernield door 't wellend vier. 't Hof staat in lichten brand;
't Huis van Assaracus rookt over alle straten.
De vlam geen plondring weert van woedende soldaten.
In 't brandend Trojen elk om 't zeerste rooft en ruit,
En 't kolken[21] van den rook den open Hemel sluit;
De vonken en het vier van d' Iliasche gevels
Bezwalkt den dag, als waar hij dik bekleed met nevels.
Ziet den verwinner daar eens heet van gramschap staan,
Die vast de taaye stad schouwt met zijne oogen aan;
De gramme krijgsman, nu gemat[22] en wel ervaren,
Den tijd ontschuldigt, die gesleept heeft vijf paar jaren.
Nog schrikt hij al bedeesd voor de overheerde stad,
En schoon zij leît verplet, nog naauwlijks acht hij, dat
Zij voor hem winbaar was. De plonderaars die slepen
En torschen vast den roof, te zwaar, om duizend schepen
Te laden met den schat. Ik, droef en afgetreurd,
Der Goden heiligheid, op mij dus hoog gesteurd,
Neem tot getuige, en d' asch mijns vaderlands te gader,
En u, der Frygen voogd[23], en veler vorsten vader,
Den welken Troje dekt, bestulpt door al 't gewicht
Van 't neêrgedreven rijk, dat boven op u ligt!
Daartoe[24] den geest van u, die al 't geweld hield tege',
En Ilium hield staan, en waart der Frygen zege,
Zoo lang gij staande bleeft[25]; en u, o groote schaar,
Maar kleindre schimmen doch, mijn' kinders al te gaâr!
Dat ik al 't leed, 'twelk ooit ons prangde, en 'tgeen de ontstelde
Apollo's priesteres[26] ons ooit te voren spelde
(Met een bezeten[27] mond, als van verstand beroofd,
Maar door 't beleid der Goôn van d' onze nooit geloofd),
Al lang te voren heb, van mijnen Paris zwanger,
In eenen droom voorzien, en heb mijn vrees niet langer
Verzwegen, noch geheeld; maar, vóór Cassandra vroeg[28],
Elk mijn waarzeggen steeds als zotternij beloeg.
De schalke Ulysses niet, noch die hem 's nachts verzelde,
Noch Sinon, vol bedrogs, in brand ons Trojen stelde;
Ik, ik ben stokebrand: mijn vier is 't dat er blaakt,
En Ilium is van mijn toorts in brand geraakt.
[Pg 171b]
Maar, ouderdom, die zijt te leefbaar! waartoe 't weenen,
Om de uitgerooide stad, om de omgestorte steenen?
Rampzalige vorstin! den verschen rouw aanschouwt:
Zet Trojen aan d' een' zij'[29]: dat ongeluk is oud.
Ik heb vervloekter feit gezien, vol schriks, en beven,
Des ouden konings moord, een schellemstuk, bedreven
Door Pyrrhus' wreed geweer; die zelf, voor 't hoog outaar
Der Goôn, met felle vuist, het grijze koningshaar
Omwrong, en dreef het staal, o droevige vertooning!
Wel diep ter wonden in; 'twelk d' afgeleefde koning
Vrijwillig heeft ontvaân; zoo dat het zwaard verwoed
Ten strotte aan d' andere zijde is uitgekeerd bebloed.
Wien zou die grijze kop, wien zouden de getuigen
Van 't schelmstuk, zelfs de Goôn niet hebben konnen buigen?
En 't oude heiligdom van 't neêrgevallen rijk?
Priaam gebeurt geen graf; hij, die zoo groot een wijk,
En steun van kindren had, tot vesting van zijn landstaat,
Derft nu zijn leste vlam[30], daar[31] Troje gants in brand staat.
Nog bluscht dit jammer niet der Goden gramschap uit:
De vorsten met de bus vast loten om den buit
Van 't hooggeboren bloed, om vreedzaam t'huis te varen,
Met Priaams dochteren, en aangehuwde snaren[32].
Wie zal mij, slechten buit! meêvoeren over zee?
Dees heeft zich Hectors bruid[33] ten troost verloofd alreê;
Dees wenscht om d' eêgemaal van Helenus, mijn zone,
Die om Anthenors lief; en, o, mijn overschoone
Cassandra, droeve maagd! daar is er meer als een,
Die na uw kuischheid dingt. Ik oude vrouw alleen
Der Grieken afkeer ben; mijn lot doet ieder duchten.
O gij gevangen sleep! wat houdt gij op van zuchten?
Slaat droevig voor uw borst, en tijt aan 't huilen stout:
Heft op een veldgeschrei, en Trojens uitvaart houdt.
Op, op! met droeven galm: laat Ide[34] uw klachten hooren,
Wiens vierschaar heilloos was tot ons bederf beschoren.
REI VAN VROUWEN, HECUBA.
REI.
't Kermen is niet nieuw, noch 't klagen.
Die[35] gij
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
Comments (0)
Free online library ideabooks.net