» » » Avonturen aan gene zijde van den Evenaar

Avonturen aan gene zijde van den Evenaar

Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Title: Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Release Date: 2018-05-28
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 27 March 2019
Count views: 86
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 28
[Inhoud]

Avonturen aan gene zijde van den Evenaar.

Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
AMERSFOORT
G. J. SLOTHOUWER.

[1]

[Inhoud]

DE CARRILS.

„Well! Denk je werkelijk, dat wij hier nogblanke broeders zullen ontmoeten, hier op deze vlakten, die jepampa’s noemt en waar men zoover het oog reikt geen hut bespeurt,ja niet eens een kudde vee?”

„Vertrouw op mij, Señor, als op het heiligeSacrament. Gij begrijpt toch wel, dat ik eengoede reden heb voor mijn bewering.”

„Hoor eens, vriendje, het is niet voor de eerste maal dat ikje waarschuw. Je weet hoe ik over je denk.”

„Dat weet ik; toch zult gij moeten erkennen, dat ik u steedsheb behandeld als de eene caballero den ander.”

„Maar dat spreekt vanzelf! Ik betaalde je immers ommij …… daarheen te brengen. En, Pedro, nog voor onsvertrek uit het fort heb ik je al gezegd, dat de onrustige, spiedendeblik, waarmede je telkens om je heen ziet, geen vertrouwen wekt. Denker aan dat mijn pistolen geladen zijn en ik gaarne schurken neerschiet.In je eigen belang, vriendje, spaar me de ervaring, dat je tot datgroote gilde behoort en reken [2]er op dat het vermoeden alleen alvoldoende zou zijn om mij van mijn wapens gebruik te doenmaken.”

De beide ruiters, die dit gesprek voerden, reden op de groote vlaktevan Patagonië naar Argentinië welke zich uitstrekt tot de RioPilcamayo. Zij bevonden zich op de hoogte waar de Rio Negro metdonderend geweld zijn wateren in den oceaan stort, en op eenigehonderde mijlen afstand van de bekende nederzetting Carmen dePatagones. De een, een man in de kracht van zijn jaren, bereed eenbuitengewoon mooi ros, welks edele vormen getuigden van zijnAndalusieschen oorsprong; de ander zat op een klein kastanjebruin paardzonder eenige schoonheid, maar van krachtigen lichaamsbouw. Hetuiterlijk der beide reizigers was al even verschillend als dat hunnerdieren. Hij, die het vurige ros zoo volkomen in bedwang had, was langen tenger maar sterk gespierd; een eenvoudige uit beste stofvervaardigde kleeding omsloot zijn lenige gestalte. Het blonde haar ende lange blonde baard, evenals de blanke door de zon gebruindegelaatskleur wettigden het vermoeden, dat hij op het noordelijkhalfrond het levenslicht had aanschouwd. Zijn metgezel, een nog jongeman, was een dier figuren, dien de reiziger in Argentinië op alzijn tochten ontmoet. Gekleed in het korte Spaansche buis en de wijdebroek, over zijn schouders de poncho, om de heupen een bont gekleurdemet franje versierde doek, de voeten in plompe hooge laarzen metsporen, was [3]hij, rechtop en onbewegelijk in den zadel gezeten,het onvervalschte type van den echten gaucho.1

Señor Inglese,” begon na eenlangdurig zwijgen de als Pedro toegesproken herder opnieuw het gesprek,„SeñorInglese, gij hebt mij als gids aangenomen en betaald. Wilt gij me nuvolgen of niet? Denkt gij den weg zonder mij te kunnen vinden, goed, gadan alleen. Maar, zeg eens, welke richting zoudt gij inslaan als ikwegliep? Terugkeeren, niet waar, er zat niets anders op, want het zoude grootste dwaasheid zijn om zonder levensmiddelen naar het Zuiden tetrekken, het Zuiden dat u bovendien geheel onbekend is.”

„Hm, hm,” zeide de Engelschman, snel een blik op hetgrijnzend gelaat van zijn reisgenoot werpend. „Hm, hm,”herhaalde hij langzaam en nadenkend over het moeilijke geval, waarinhij zich bevond.

„Jij zegt dat wij westwaarts moeten gaan en ik zeg van neen,omdat ik naar Patagonië wil en niet naar de Andes. Jij beweert,dat de laatste nederzetting der blanken in het Westen ligt en ik houdvol, dat het vuur daar in het Zuiden door blanken is ontstoken, al ishet mogelijk waar dat de roodhuiden zoo nabij zijn als jevermoedt.”

„Hebt gij vuur gezien, mylord, en ik, een gaucho, niet?”vroeg Pedro ongeloovig lachend. „Vuur …. zoowaar,” viel hij zichzelf in de rede, „nu zie ik het[4]ook! Maar de rook, dien wij in de verte naar hetOosten zien drijven, stijgt niet uit het kampder blanken,vervolgde hij beslist. „Het is geen houtvuur zooals zijgewoonlijk aanleggen, maar ’t wordt gestookt met verdroogd grasen dorre berberissetakken. In de pampa’s, ten zuiden van de RioNegro is geen ander brandmateriaal te vinden. Wilt gij uw verderf tegemoet gaan, mylord, rijd dan naar het Zuiden, wilt gij uw doelbereiken, volg mij dan naar het Westen.”

„Well! Indien gij werkelijk gelooft, dat de Indianen daar hunkamp hebben opgeslagen, breng me dan bij hen. Ik wil naarPatagonië, zij het dan ook met Indianen,” hield de Briteigenzinnig vol.

„Bij de heilige jonkvrouw van Cordova gij hebt uw verstandverloren! Weet gij dan niet, dat de Tsonecas de blanken vermoorden ofhen houden als ….. slaven?”

„Ik zal hun slaaf niet zijn maar hun vrienden …”

„En nooit weer de grenzen van Patagonië overschrijden! DeTsonecas rijden als duivels en nooit gelukt het iemand hun teontvluchten. Neen, Mylord, laten wij naar het Westen, naar denederzetting trekken. Daar vinden wij allicht een aantal bomberos, dietegen een goede betaling een strooptocht in het land der Tehuelcheswillen meemaken.”

„Tusschen twee vuren,” mompelde de Engelschman in zijnmoedertaal. „Ginds een troep Indianen, hier [5]een gaucho.Ik stel in geen enkel opzicht vertrouwen in dien knaap en zou er opdurven zweren, dat hij de gelegenheid zoekt me aan den meestbiedende teverkoopen.”

„Al besloten, Mylord?” vroeg de gids, de overpeinzingenvan den Brit storend.

„Pedro, Don Pedro,” zeide deze deftig, „wij zijnbeiden dapper, is het niet, en duchten geen gevaar. Laten we naar hetZuiden rijden en behandelen de Indianen ons alsvijanden …… Well, dan vluchten wij naar het Westen.Onze paarden zijn goed en sterk en onze wapens uitstekend geschikt omons den vijand van het lijf te houden.”

„Bij de heilige Jonkvrouw, Mylord, neem toch mijn raad terharte. Carramba!” vloekte de vrome Pedro, haastig een kruisslaande. „Wie van den duivel spreekt, ziet zijn staart. Voor delaatste maal, gringo,2 wilt gij met mij naar het Westenrijden of alleen naar …. Carratscho! ’t Is reeds te laat!Zaagt gij daar niet plotseling voor één enkel oogenblikeen menschenhoofd te voorschijn komen? Waar het gebleven zou zijn?…. Indie vervloekte greppels kunnen zij zich zoo gemakkelijk verschuilen.Daar,” vervolgde de gaucho opgewonden, „daar Mylord, daar,dicht bij den opstijgenden rook een ruiter,…. verdwenen is hijalweer! Carratscho! Dat was de vent [6]dien ik gezien heb. Nu gaat hij onsverraden.”

De Engelschman had eveneens den ruiter gezien en snel zijnverrekijker gegrepen, maar op het zelfde oogenblik waren man en paardals in den grond weggezonken.

„Don Pedro is bang,” zeide Mylord, onverschillig deschouders ophalend. Met de grootste kalmte schoof hij den verrekijkerin elkaar en stak hem in het foudraal.

„Mylord,” riep de gaucho driftig, „ik zweer bijmijn schutspatroon, dat ik mij dadelijk wreken zou over dezebeleediging, indien wij niet gezamenlijk moesten trachten het naderendgevaar te ontkomen.”

Zonder acht te slaan op Pedro’s uitval, vervolgde deEngelschman bedaard; „Zou het onmogelijk zijn, dat blanken uit denederzetting op jacht gegaan en ginds gekampeerd zijn?”

„Blanken uit de nederzetting?” vroeg Pedro nadenkend.„Hm, hm, ’t zou kunnen,” vervolgde hij, blijkbaarverheugd over de mogelijkheid van zulk een oplossing, die hem ombijzondere reden zeer welkom zou zijn.

„En …. zouden wij kunnen vluchten, indien bleek datvijanden daar hun kamp hadden opgeslagen?”

„Beproeven konden wij het in ieder geval ofschoon ik vrees,dat onze pogingen vruchteloos zouden zijn,” meende Pedro, bijwien langzamerhand de hoop levendig werd, blanken, in dit gevalvrienden, te zullen aantreffen. „Zijn het Indianen,”vervolgde hij, „dan [7]hebben ze ons reeds lang gezien enoveral wachten uitgezet. Dan worden wij omsingeld evenals ze een kuddeguanacos of struisvogels omsingelen. Zooals de zaak nu staat, kunnenwij niet beter doen dan naar het kamp rijden.”

„Well, dan doen we dat!” stemde de Lord toe. Hij namzijn pistolen uit de holsters, legde zijn buks dwars voor zich over hetzadel en gaf zijn paard de sporen.

Pedro voelde naar het lange mes, dat hij in een soort scheede inzijn rechterlaars droeg en overtuigd dat zijn pistolen, karabijn enlasso binnen zijn bereik waren, maakte hij zich gereed den Brit tevolgen.

Deze echter, zijn metgezel niet vertrouwend, wenkte hem aan zijnzijde. Zijn achterdocht was nog sterker geworden, sinds de gaucho zooplotseling allen wederstand had laten varen en bereid was zuidwaarts tetrekken.

Behoedzaam naderden de beide ruiters de plaats, waar eenigeoogenblikken te voren het menschenhoofd zichtbaar was geweest. Zijontdekten een kleine inzinking van den grond, maar van man en paard wasgeen spoor te zien.

Hoe verder zij zich van de Rio Negro verwijderden en zuidwaartstrokken, hoe vlakker en schraler de bodem werd. Alle plantengroei hadopgehouden, de grasvlakten lagen achter hen en vóór henstrekte zich een dorre, kale steppe uit, doorsneden met meer of minderdiepe voren. [8]

Om een overrompeling zoo mogelijk te voorkomen, volgden ze een dierlaagten, doch spoedig bleek hun dat zij, in die richting voortrijdend,het vuur niet naderbij kwamen.

„Ik vermoed, dat zij hun kamp ergens in een diepe kloof hebbenopgeslagen,” merkte de Engelschman aan.

„Dat verwenschte ravijn met zijn bochten,” bromde Pedro.„Telkens loopen wij gevaar op den vijand te stuiten.”

„Dan over de vlakte verder,” besloot de Brit, en de daadbij het woord voegend, wendde hij zijn paard. De dunne rookkolom diendehun tot wegwijzer en vastberaden stuurden zij er op aan. Na een halfuur rijdens bereikten ze een hollen weg; het vuur was nergens tebespeuren en de rook, door de wind voortgedreven, scheen nu hier dandaar uit de aarde op te stijgen.

Zonder zich te bedenken reden zij het ravijn in. Een hevige windjoeg hen een zwaren walm en een sterke brandlucht tegemoet; het vuurmoest in hun onmiddellijke nabijheid zijn, maar bleef door de velekronkelingen van den weg voor hun oog verborgen. Met het pistool in dehand drongen ze verder door, toen plotseling als ware hij uit de luchtgevallen een ruiter voor hen stond. Snel hielden ze hun paarden in,gereed hun leven te verdedigen.

De vreemde ruiter was gekleed als een gaucho, maar zijn slanke,elegante gestalte en zijn regelmatige [9]fijne gelaatstrekkenverrieden zijn Spaansche afkomst. Met een hoffelijke buiging groettehij de beide mannen en zwaaide met een sierlijke beweging zijn grootensombrero.

„Mag ik zoo vrij zijn te vragen waarheen gij rijdtcaballeros?” vroeg hij uiterst beleefd; zijn schitterende bruineoogen rusten even met een ernstigen, onderzoekenden blik op het gelaatvan den Engelschman en bleven toen met een uitdrukking van verbazing enweerzin op den gaucho gevestigd, die zich blijkbaar niet op zijn gemakgevoelde.

„Mijn doel is het vuur te bereiken waarheen de rook ons denweg wijst,” antwoordde de Brit.

„Ik vlei me, señor, dat gij met vredelievendebedoelingen tot ons komt en wil u gaarne welkom heeten in ons kamp.Toch is voorzichtigheid, in de wildernis meer nog dan ergens anders,een plicht dien we nooit mogen verzaken. Vergun me dus de vraag inwelke verhouding gij staat tot …. uw metgezel, dien ik deeer heb te kennen.”

„Kent gij mij?” vroeg Pedro ontsteld.

Een sarcastische lach plooide de lippen van den Engelschman; hetgelaat half naar zijn tochtgenoot keerend, zeide hij:

„Er bestaat geen enkele verhouding tusschen ons. Dezecaballero, Don Pedro, dient mij tot gids; that isall.”

„En weet gij, Señor, wie uw gids is?” vroegde ander. [10]

„Wat hebt gij daarmee te maken?” riep Pedro heftig.„Gij zegt dat ge mij kent en ik zweer bij alle heiligen, dat ik unog nooit gezien heb.”

„Wie en wat mijn gids is, weet ik niet,” merkte de Lordop, „maar ik heb mijn vermoeden.”

„Dat is mij volkomen onverschillig,” schreeuwde degaucho, die nauwelijks zijn angst kon verbergen. „Ik heb mijverbonden u bij de blanke naburen der Tsonecas te brengen. Gij zijt er,dus … vaarwel gringo.”

Al sprekende haalde hij den teugel aan en wilde wegrijden. Maar hetwas reeds te laat.

Een groote, forschgebouwde man in de dracht der gauchos, het gelaatmet den zwaren, kortgeknipten baard half verborgen achter den breedenrand van zijn hoed, trad hem in den weg, met opgeheven hand hem wenkendzijn paard in te houden. Hij zelf was te voet, maar bevelend klonk hetvan zijn lippen:

„Blijf, caballero, blijf. Mijn woord erop, dat u geen leed zalgeschieden.”

Nauwelijks hoorde de jonge man, die aan den anderen kant stond,

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 28
Comments (0)
Free online library ideabooks.net