» » Een nest menschen

Een nest menschen

Een nest menschen
Title: Een nest menschen
Release Date: 2018-05-31
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 27 March 2019
Count views: 54
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 21
[Inhoud]

EEN NEST MENSCHEN.

EEN NEST MENSCHEN.
AMSTERDAM.—S. L. VAN LOOY.
1895.
[Inhoud]

De bedoeling van deze woorden vooraf aan ditsterk-persoonlijk sprekende deel van Aug. P. van Groeningen’swerk, vroeg werk van hem, deze schetsen, maar rijp en wat meer is, buitendezen vergankelijken tijd, onvergankelijk; is belangrijk te maken dewetenschap wie de schrijver was. Aanvulling, tevens vervollediging vaniets, geschreven door den heer F. Netscher over dezen Onbekende,stilzwijgend geëlimineerde uit de maatschappelijkevergelijking.

Echtheid, dat is tevens oorspronkelijkheid, waterlandschefrischheid, Rotterdamsche steêkracht, bewustheid dat isobjectiviteit tevens zelf-dwang tot eenvoud.

Is het voor kennis van den lyrischen dichter de vraag tweeledig:hoè is de Tijd; en; hoè laat hij zich gaan,—wat deepiek-werker is wordt beantwoord naar de enkelvoudige vraag: watwil hij.

De lyricus is zijn werk, op zijn hoògst daar demensch; de epiek-werker is zijn werk niet, maar er boven. En niet voorhet onder-gaàn, maar voor het begrijpen van epiek diepnaarbinnen tot aan haar oorsprong toe, is, de [II]wetenschap wie de schrijver zichzelf voelde tezijn, met name voor de literaire kritiek de aangewezen, met wiskundigevastheid te bouwen weg.

De lyricus kan zijn een onbeduidend mensch, met bij tijdenblootkomingen van waardeerbare stemmingen van zuiver toongehalte, deepiek-werker is uit den aard van zijn wezen volledig,àlles-beduidend Mensch met nog iets van een andere essensdaarboven, de maat van welks aanwezend zijn in de sfeer zijnerbewustheden, de mate aangeeft van zijn objektief vermogen.

Hoe dus de tijd om Van Groeningen was, wier reactie wel, wiermeegolvende voortbeweging hij niet is, heeft belang alleen voor delotgevallen van zijn werk; ook liever verzwegen dit, omdat droevig,diep-diep-droevig, een geheel nieuwen, ’n somberen blik gunnendop de kritiek en de literaire fataliteit van die dagen, toen alleenmachtig was jong-Amsterdam: zijn harde, zijn superbe werken met denelektriseerenden wil, door dien tijd, zijn tegengestelde, van onderopis onderbroken en gestort, hetgeen zij kon door eene meerderheid vanmaatschappelijke wijsheid en lichamelijke middelen.

Wat is zijn Wil?

Hij geeft er in strenge trekken volledige (levens-gevaarlijke)openbaring aan in een eenig door hem geschreven (zelf-)kritischartikel, in extenso weer te vinden op pag. 3 van het 1e blad desAmsterdammer’s van 11 Maart 1890.

»Trachten te-doen door laten.« [III]

»Een kunstenaar (zoo staat er) die objectief wìl (d. i.moet) zijn kan door onzen subjectieven, m. a. w., egoïstischentijd, nietbegrepen worden, tenzij hij, door bij-omstandigheden beeldt personendie als letterkundige kunstenaars in fraaie woorden voelen. Dit is demate van ons democraat zijn, dus van onze naasten-liefde.

»En daar de kunst der dichtstbijetoekomst, als iedere reactie de negatie van het nu-Heden, zal zijnzooveel mogelijk objectief, bestaat heel veel kans op een herleving derromantiek, een nieuw-romantisme, met helden enridders—»tenzij« (men leze hier klemmend, als waren deletters allen van ijzer, moeilijk weg te schuiven) »tenzij hetnu-aan-het-opkomend geslacht moed en zelfverloochening genoeg heeft,een tijdje voor minder-knap, minder-vol gehouden te worden. Wantklassiek (naar-het-wezen-klassiek) werk schijnt in tijden vanverfijning erg armoedig, omdat het tracht te-doen door-laten:véél te zeggen door wéinig tezeggen …«

»Mijn streven is over de stof teheerschen …«

Het is de grauwe, vette, zware kleigrond, waarin gewerkt moet wordenonder al ’t eens-Monumentale, die Van Groeningen hierbloot-legt.

»Voor zoover men van een kunstenaar kan zeggen, dat hij zijnstof kan kiezen, zelfbewust, is dat bij mij het geval.«

»»Van alle Tijden«, een groot geheel waarvoor ik± 10 boeken noodig zal hebben, moet worden de verklanking enverbeelding der menschen-geschiedenis in het ruim der eeuwen: (’kGeloof dat de stof niet erg realistisch is.) [IV]

»Die geschiedenis wordt gemaakt door twee elementen: hetpassieve—d. i. het menschengeslacht dat steeds wonderen vraagtmaar ze niet kan doen—en het actieve, goddelijke, dat zewèl doet, het genie. Daartusschen, overgangsvorm: het halfgenie, volgroeijing van het eerste, aankondiging van het tweedeelement, dat het door bevruchting met het eerstevoortbrengt …« »Ter bestudeering van ditlevensverschijnsel hoefde ’k niet ver van huis te gaan. Men vindthet in Bilderdijk, Multatuli die eigenlijk niet verschillen, al lijktdit een paradox …« »Niet slechts personen, ookgeheele tijdperken hebben een dezer drie individualiteiten. Men denkeaan het historisch verschijnsel dat alleen onrustige, zeer onrustigetijden eene genie voortbrengen …« »In mijnplan komen 4 deelen voor, (nà het vierde), die het volkslijdenzullen behandelen. Over eenige jaren hoop ik daaraan te beginnen. Alsde natie tot rust zal zijn gekomen, dàn zal ik geven, zonderterughouding, het leven van le peuple …«

Het lijdt geen twijfel, dit nest menschen zou de kern zijn gewordendier 4 deelen.

De dêmoon der artisticiteit heeft de fysieke liefde voor zijnwoord.

De lyrische dichter heeft de geestelijke liefde voor zich-zelf.

De epiek-werker heeft de geestelijke, godsliefde tot de Menschheid.Zoo is Van Groeningen.

Nog overgebleven papieren, een door bijna-alleen intuïtie[V]tot in het 3e boek der Imitatio Christi totstand gekomen benaderende vertaling van Thomas a Kempis,kinder-versjes, opzet en voorspel van een tragedie »Jeanned’Arc,« berythmeeringen van psalmen, bewijzen buitenom VanGroeningen’s zelf-bewustheid, aangehaald in die»voor-rede« voor »Van alle Tijden«, dat hijoprecht in zich zelf had gezien te zijn een »geestelijke«,en niet hoogmoediger dan hem paste, zich rechtop-standig zette middenin het land als een die den strijd zou wagen met den machtigstenmoderne-epiek-werker in vruchtbaarder klimaat, tusschen zoo fel-, maarminder zwaar- kunstvijandige menschen, Balzac. Want »Van alleTijden« zou worden epos van het grauwe Holland in deComédie humaine.

Onbewust dit zich gaan meten, waaraan ons land met dit boek en met»Martha de Bruin« een deel zijner toekomstige glorie dankt,onbewust in Van Groeningen.

De vrijheid van zijn bevestigenden, zelf-geziene werkelijkheid inmagistraal-eenvoudige kunststukken bevestigenden wil, heeft hij nietgetroubleerd door neven noch achter zich te zien naar anderen. Rechtvoor zich uit keek hij en uit Van Deyssel’s proza voor zich zelfwel annexeerde hij nieuwe ontdekkingen, nieuwe methoden; maar zijnwerk, van wezen voelde hij ’t: alleen, met allen-verschillend; inzijn groote Geheelen zouden plastiek en analyse en muziek strenglijk tehanteeren middelen blijven tot de ideeële geschiedbeschrijving;dat deed nog geen. Ook het buitenland bleef aan zijn binnenste vreemd.Een Hollander uit één stuk was hij tot in zijn[VI]diepste en teerste vezelen. »HetLand« van Zola las hij in het Hollandsch. Zoo is bekend dat hijin ’88 met een vriend en ambtgenoot zich opmaakte om het Franschte leeren. Kan er zelfs sprake zijn dan van dadelijken invloed vanbuitenlanders naar hem? Praktisch neen, en theoretisch neen! Want zoois het te voelen en te weten.

Waar het Genie leeft is invloed van anderen alleen een zaak vanvorm, het lust hem somtijds zich te kleeden in geleend gewaad, hier,daar, nu-eens en nog-eens maar; ’t is bewust, dit ook islaten met een doel het doen, andren te zoeken om zichzelf»van-zelf« te vinden.

Maar bij Van Groeningen bovendien nog: hij wist niet-zoo-heel-langte zullen leven, zocht dadelijk zich-zelf alleen, zijn willen alleen,en werkte ’t door. Hij had geen tijd naar anderen teluisteren.

Wie dit boek lezen kan als een vrij-gevoelend man, zal met eenedeler bewondering dan voor veel wat nu licht geliefd is, danken denkunstenaar die, zoo eenvoudig, geeft de ferme knoopen van de waarnemingen laat den lezer door de mazen zelf zien in de door geen woordontwijdde diepten, door on versierde en water-naakte spraak.

7 Sept. ’95.

P. TIDEMAN. [1]

[Inhoud]

HAAGSCHE LEEN.

[Inhoud]

I.

Ze bewoonde een vrij huisje aan het eind der gang, eenvrij huisje, doch dat slechts bestond uit één vertrek eneen zoldertje. Van buiten zag het er vriendelijk uit. Men had wel hetgezicht op de heining; maar daarentegen had het zonnetje gelegenheidvan tien tot eene de witgekalkte buitenmuur te doen blikkeren. Devolgende huisjes waren in een eeuwigdurenden nacht gedompeld.

Maar Leen had niet veel pleizier van het zonnetje. Ze zag het niet,als de lichtbundels de stofjes in de kamer deden dansen en zichspiegelden in den koperen deksel der doofpot of in de oude, donkere,dikbuikige latafel. Ze zag haar woning niet anders dan als een vuil,hol vertrek. ’s Zondags sliep ze tot over twaalven, omdat ze erde andere dagen vroeg uit moest. ’s Winters zat ze reedsvóór half zes bij het schijnsel van een z.g. snotneushaar boterhammen te eten, terwijl ze haar voeten op een stoof, haarhanden aan de trekpot warmde. [2]Ze liet zich nooit kloppen; maar werdvan zelf wakker en ging dan, na een blauwen rok aangedaan en een doekom het hoofd geslagen te hebben, water en vuur halen. Dan waschte zezich, op de wijze van een kat, kamde zeer zorgvuldig het haarachterover en versierde het met een lila strik. Luidde het klokje, datwas ongeveer zes uur, dan stond ze op, vulde een blikken cilinder metwater en deed er koffie in. Een schuifje van onder nam het vuur op, dathet vocht moest heeten. Bij deze toebereidselen liep ze met het lampjedoor het vertrek. Het licht viel dan op haar grof bleek gelaat. In deooren droeg ze bloedroode knopjes, alsof al haar bloed naar deoorbellen was geweken. Het vertrek zag er dan fantastisch uit. Dezwartberookte zoldering had zelfs op de lichte plekken dezelfde tintals de slagschaduwen achter de zware balken. Hun oorspronkelijke kleurmoest donkergroen geweest zijn. Spinrag en draden stof zweefden heen enweer, als er door het loopen het geringste tochtje ontstond. De blauwemuren, die van het afdruipende vocht glinsterden, waren nergens doorschilderijen bedekt. Alleen een klein, verweerd spiegeltje met gebrokenlijst hing in een hoek. De grijssteenen vloer scheen nooit met denbezem kennis gemaakt te hebben. Even vuil was de kast, waarin brood,boter, zakken thee en koffie, borden, vorken en lepels, gescheurde enoorlooze kopjes, een bruine melkkan en eenige pannetjes verspreid warenop het geelgeworden papier, dat de planken bedekte en dat door eenkunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag alskant. [3]

Op zekeren kouden wintermorgen knoopte ze als gewoonlijk tegen halfzeven de wollen gehaakte doek om de schouders, blies het lampje uit ennadat de gloeiende, rookende pit voor goed was uitgegaan, ging ze dedeur uit, welke ze zorgvuldig achter zich sloot. Het was nog pikdonkerin het steegje, zoodat ze meer op het gehoor dan op het gezicht moestafgaan. In de verte klonken de opwekkende tonen van een trompet: eendiligence reed over den Singel. De tweede! Ging de eerste voorbij, dankoesterde ze zich onder de dekens en genoot dubbel, als ze bedacht, datdaar een harer medeschepselen reeds stond te blauwbekken.

In de straten was het niet veel lichter: de lantarens zien er’s morgens rood en slaperig uit. Hare met spijkers beslagenschoenen kletterden op de ongelijke straatsteenen. Nu en dan stond zestil om het vuur wat op te rakelen of om de zware hengselmand, die zein de eene, en de koffieketel, die ze in de andere hand droeg, teverwisselen. Zoo naderde ze de groote haven, in het zuidwestelijk deelder stad. In de flauwe schemering zag ze de masten der schepen alsgrijze strepen. Het gedruisch van de booten, die in de verte gelost engeladen werden, was reeds hoorbaar. Kinderen en vrouwen met kruikenkoffie en zakken boterhammen volgden denzelfden weg. De kinderenzwegen, de vrouwen waren reeds bezig hare kennissen met de maatstafharer eigen voortreffelijkheid te meten. Ze naderde de rivier, die dooreen dikken nevel bedekt was, zoodat men ternauwernood de lichtjes derschepen, die op stroom [4]lagen, kon onderscheiden. Eensklaps zweeg hetgeraas der stoomlieren, en van de steekwagens, die de stellingen op- enafvlogen, en het geschreeuw der sjouwers op het sein van schrillefluitjes. De steekwagens bleven staan waar ze stonden, de dampendemannen zochten hun vrouwen en kinderen op, die ze naar een

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 21
Comments (0)
Free online library ideabooks.net