» » Prometheus Geboeid

Prometheus Geboeid

Prometheus Geboeid
Category:
Author: Aeschylus
Title: Prometheus Geboeid
Release Date: 2018-08-14
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 27 March 2019
Count views: 36
Read book
1 2 3 4 5 6
[Inhoud]

PROMETHEUS GEBOEID

WERELD BIBLIOTHEEK
UITGEGEVEN DOOR:
DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
GOEDKOOPE LECTUUR—AMSTERDAM
AISCHYLOS’
PROMETHEUS GEBOEID
HET RECHT VAN VERTOONEN VOORBEHOUDEN
VOLGENS DE WET OP HET AUTEURSRECHT

[V]

[Inhoud]

VOORWOORD

Zooals bekend is volgden de Atheenschetreurspeldichters steeds de gewoonte, niet éen, maar driedrama’s tegelijk voor het publiek te brengen. Tusschen detrilogie bij Aischylos echter en bij zijn opvolgers bestaat eenwezenlijk verschil. Aischylos voelde de zoogenaamde eenheid van tijd ophet tooneel niet als noodzakelijk. Daardoor wordt het hem mogelijk omin den beperkten duur van éen drama een reeks gebeurtenissensamen te dringen, wier opeenvolging in het reëele leven slechtsmet ruime tusschenpoozen denkbaar is. Zijn trilogieën omvatten omdezelfde reden steeds een grootsche jaren-overspannende handeling, ende afzonderlijke deelen zijn als bedrijven van dat geheel tebeschouwen. De latere dramaturgen, die, om aan den eisch van eenheidvan tijd te voldoen, enkel handelingen ten tooneele brachten, welke metden reëelen tijdsduur samenvielen, gaven den onderlingen samenhangvan de deelen der trilogie prijs en meteen Aischylos’ tijdeloozeweidschheid.

Een drama als “Prometheus” behoort dus in de eersteplaats beschouwd te worden als onderdeel van de trilogie waar het toebehoort, en het is daarom vooral te bejammeren dat de beide anderestukken op eenige weinige fragmenten en aanwijzingen na verloren zijngegaan. [VI]

Het komt mij voor dat in de trilogie waarvan “Prometheusgeboeid” het eerste bedrijf vormt, geteekend wordt degeleidelijke vestiging van Zeus’ wereldbestuur.—Vanhet tweede stuk, “Prometheus bevrijd”, zijn fragmentenover, die ons omtrent den uitwendigen gang der handeling voldoendekunnen inlichten. De hoofdfiguur die aan het einde van het eerste dramadoor Zeus met rots en al in den Tartaros was geslingerd, stijgtweêr in het daglicht op aan een uithoek van den Kaukasos. Bijzijn oude kwalen is nu nog een nieuwe foltering gevoegd: de adelaar vanZeus komt hem om den anderen dag een stuk uit den lever scheuren. Maarhet verzet van den Titan blijft ongebroken. Zelfs de vermaningen zijnerstamgenooten, de andere Titanen, die door Zeus uit den Tartaros zijnlosgelaten en die hier optreden als rei, kunnen hem niet totonvoorwaardelijke onderwerping bewegen. Eerst nadat de god plechtigbeloofd heeft hem uit zijn boeien te zullen bevrijden, openbaartPrometheus zijn voor Zeus zoo gewichtig geheim. Met de komst vanHerakles en de verlossing sluit het tweede drama.—Van hetslotdrama der trilogie weten wij weinig af. Naar allewaarschijnlijkheid was de naam “Prometheus vuurdrager”, enwerd de inhoud gevormd door de naderbevestigde verzoening van oppergoden titan, een verzoening waaraan het menschelijk geslacht, debeschermelingen van Prometheus, een groot en natuurlijk aandeel neemt.Niet verwerpelijk lijkt het vermoeden dat, evenals de Oresteia eindigtmet de bevrediging der Erinyen tot Eumenieden, de instelling van hetPrometheus-feest, de Prometheia, blijvend aandenken aan den hersteldenwereldvrede, ten slotte den zwaar beproefden Prometheus als middelaartusschen God en menschen in verdiende eere herstellen moest.[VII]

Vroegere uitgevers van Aischylos, die ons drama als een op zich-zelfstaand stuk beschouwden, lieten zich vaak verleiden in den strijd vanPrometheus tegen den nieuwen oppergod niet meer te zien dan detegenstelling van den willekeurigen hartstochtelijken tyran met dengrooten waarachtigen volksvriend, een transpositie dus van menschelijketoestanden op goddelijk terrein. Anderen weêr vonden inPrometheus de menschheid verbeeld in haar kamp tegen onverbiddelijkenatuurmachten en vroegen tragische bewondering voor de grootschheid deronvermijdelijke nederlaag, of ook wel verwijdden zij de handeling toteen verheerlijking van het alles en allen beheerschende noodlot. Denieuweren daarentegen leggen misschien te veel gewicht op denuitsluitenden zegepraal van Zeus. Zij beroepen zich op Aischylos’diep gevoel van vroomheid, waarvoor zij uit andere drama’skenmerkende uitspraken aanhalen. Aischylos zoû van zulk eeneerbied voor den oppergod doordrongen zijn geweest, dat bij hem eenkritische houding tegenover Zeus gelijk zoû moeten geacht wordenaan godslastering. Maar de vroomheid van een Griek is een andere dan dechristelijke. Zijn goden zijn in hoogste instantie geen onaanrandbarepersoonlijkheden. Zij blijven de dragers en vertegenwoordigers eenerevenwichtige wereldorde. En als zoodanig is Zeus niet geboren; ook hijis door leering geworden de alwijze en milde god die hij is. HoeAischylos bidt, kan men lezen in de “Agamemnoon”:

Zeus!—wie hij ook wezen moog’,

Zoo die naam bij hem bemind zij,

Roep ik zóó hem aan, enz.

En eenige regels verder: [VIII]

Zeus die paden tot verstand

Stervelingen leidt,

Die “door lijden leering”

Wettig wijdt:

In den slaap nog weegt op ’t hart

Angst van wroegings eeuwigwakkre smart,

Zelfs de onwilligen bereikt bezonnenheid,

Wel genâ van god die zelf doorworstling

’t Statig stuurgestoelt bezeten houdt.

Den groei van dezen Zeus heeft Aischylos willenteekenen in zijn Prometheusdrama’s, zijn groei tot den vader vangoden en menschen, den derden oppergod in de rij, maar die niet meerals zijn voorgangers ten val kan worden gebracht, omdat hij in zichheeft weten te vereenigen, met de onverwelkbare heerlijkheid dervolkrachtige jeugd, de bezadigde wijsheid der ervaring die zijnvoorgangers niet voor zich, maar voor hem van de eeuwen hadden geleerd.De Zeus van het tweede drama is een andere geworden naar blijkt uitzijn boden en daden, een aan wien Prometheus zich zonder gevaaronderwerpen kan. Zoo worden voor een Griek zijn goden.[1]

[Inhoud]

PERSONEN:

  • HEPHAISTOS,
  • KRATOS,
  • BIA,
  • PROMETHEUS,
  • REI VAN OKEANIEDEN,
  • OKEANOS,
  • IO,
  • HERMES.

Het tooneel stelt voor een rotsgebergte in de nabijheid der zee aande grenzen van het land der Skythen. Een door pieken gekroonde rotswandrijst, in het midden tegenover de toeschouwers, achter een kloof.Rechts is uitzicht op de zee. Links voert het bergland, dat met eenenkele stortbeek is gestoffeerd, op naar het hooger gelegen midden. Dehandeling vangt aan in den morgen. [3]

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL

KRATOS, BIA, HEPHAISTOS, PROMETHEUS.

KRATOS:

Wij zijn gekomen tot der aarde grensver plein,

De baan van Skythia, de onbetreden eenzaamheid.

Nu past, Hephaistos, u de zending aan te gaan,

Die vader Zeus u opdroeg: dat gij jokken zoudt

Ter hoogkanteelge rotsen dezen euvelaar

In stalen banden, boeien onverbrekelijk.

Uw eigen bloem toch, ’t barnen van ’talkunstig vuur,

Stal hij en schonk het aan de stervers. Dus dienthij

Boete af te dragen aan de goôn voor zulkmisdrijf,

Opdat hij onderwezen worde Zeus’ beheer

Te lieven en te laten van ’t menschminnenddoen.

HEPHAISTOS:

Kratos en Bia, voor u beiden heeft de last

Van Zeus hiermede een einde: niets bezwaart u meer.

Maar ik, hoe waag ik aan verwanten god ’tgeweld

Van hem te boeien aan den stormbezochten rots?

… Toch dwingt de nood mij dat ik daar den moedtoe vat;

Want vaders woorden licht te tellen wreekt zichzwaar …

O rechtberaden Themis’ listensteile zoon,

Weêrzinnig ga ik u, weêrzinngen, naaglenmet [4]

Onlosbre smeedsels aan dees menschgeschuwden piek.

Waar van geen stervling gij de stem of de gedaant

Speurt, maar geblakerd in de helle vlam der zon

Den bloei uws lijfs verwisselt. Als een lafenis

Komt nacht u ’t daglicht bergen in haartintelwâ,

En zon opnieuw vervluchten morgenlijken rijp.

Doch staâg verteert u de erger van ’taanwezig kwaad;

Want nog is niet geboren, die u lossen zal.—

Dat zijn de winsten die uw menschenmin behaalt.

Zelf god, schonkt gij der goden eerrecht tegenrecht,

Zonder hun toorn te duchten, aan den stervling weg.

Daarvoor nu gaat gij hoeden dees vreugdloozen rots

Rechtstandig, zonder knie te knikken, slapeloos.

En vele klagen en weeroepen zonder baat

Slaakt gij; want zwaar vermurwlijk is de zin vanZeus:

Een ieder is hardvochtig, die aanvanklijk heerscht.

KRATOS:

Welaan, wat draalt gij met uw nutteloos beklag?

Hoe kan u deren dees meest godgehate god

Die gaf uw eigen eerrecht stervelingen prijs?

HEPHAISTOS:

’t Verwante bloed en de omgang oefnen hooggezag.

KRATOS:

Dat is zoo. Maar staat ongehoorzaamheid u vrij

Aan Vaders woorden? Wat van twee heeft meer gezag?

HEPHAISTOS:

Gij kent geen meêlij, zijt altoos van snoodheidvol.

KRATOS:

Hem te bejammren, immers, brengt geen heul. Ook gij

Spaar de vergeefsche moeite van wat toch niet nut.

[5]

HEPHAISTOS:

O menigmaal verfoeide handenvaardigheid!

KRATOS:

Waarom haar schelden? Immers, aan dit huidig wee

Heeft, eerelijk gesproken, uwe kunst geen schuld.

HEPHAISTOS:

In ieder opzicht wenschte ik haar een aêr alsdeel!

KRATOS:

Elk ambt heeft zijn bezwaren buiten de oppermacht

Over de goden: geen is vrij dan Zeus alleen.

HEPHAISTOS:

Dat zie ’k voor oogen, en weêrspreken kan’k het niet.

KRATOS:

Kom dus en haast u hem de boeien om te slaan;

Want anders mocht uw vader u aan ’t talmenzien.

HEPHAISTOS:

Ziehier, de armboeien houd ik klaar, als elk kanzien.

KRATOS:

Sla ze om de polsen henen, en met stoere kracht

Zwaai uwen hamer, nagel ze in de rotsen vast.

HEPHAISTOS:

Dit werk wordt al voltrokken, slepen doet het niet.

KRATOS:

Klop harder, nijp de boeien, laat geen speling toe.

Zijn groote list vindt uitweg waar geen uitweg is.

HEPHAISTOS:

Deze arm zit onbeweeglijk: vaardig die hem lost.

KRATOS:

Knel nu onwrikbaar de andre vast, opdat hij leer’[6]

Dat zijne wijsheid dwaasheid is bij die van Zeus.

HEPHAISTOS:

Geen kan met recht mij laken, of ’t moest dezezijn.

KRATOS:

Nu drijf dwars door de borstkas met uw volle kracht

Der stalen wigge mededoogenlooze kaak.

HEPHAISTOS:

… Wee, wee, Prometheus, ’k steen omwat gij lijden moet!

KRATOS:

Weêr zie ’k uw ijver flauwen, weêrzucht ge over Zeus’

Vijanden? Als ge u later zelf maar niet beklaagt!

HEPHAISTOS:

Gij schouwt een schouwspel zwaar voor oogen aan tezien.

KRATOS:

Ik zie hoe deze zijn verdiende loon erlangt.

Leg nu om zijne lendnen de ijzren gordels aan.

HEPHAISTOS:

Helaas, ik moet wel—gij, laat uw bevelen na.

KRATOS:

’k Zal u naar lust bevelen, en nog hitsenook!

Ga nu naar onder: ring zijn enkels met geweld!

HEPHAISTOS:

Ziedaar: het werk is zonder veel bezwaar volbracht.

KRATOS:

Drijf nu nog kloek de klinken in de boeien aan;

Want die uw werk zal keuren, is een grimmig heer.

HEPHAISTOS:

Uw tong schalt klanken aan uw uiterlijk gelijk.

[7]

KRATOS:

Wees gij flauwhartig—van mijnonverstoorbaarheid

En onvermurwden ijver maak mij geen verwijt.

HEPHAISTOS:

Nu, laat ons heengaan: ongekluisterd bleef geenlid.

(Hij verwijdert zich met BIA; KRATOS blijftbij PROMETHEUS achter.)

[8]

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL

KRATOS, PROMETHEUS.

KRATOS:

Vier nu en hier uw moedwil, roof en schenk dergoôn

Eerrechten aan de eendagelingen. Wat vermag

De stervling om u te verlichten van dees nood?

Prometheus, den Voorziener, noemen u degoôn—

Met leugen: een voorziener toch behoeft gij zelf,

Hoe ooit te ontglippen aan de grepen dezer kunst.

(Hij gaat HEPHAISTOS en BIAachterna.)

[9]

[Inhoud]

DERDE TOONEEL

PROMETHEUS ALLEEN.

PROMETHEUS:

O goddlijke aither, en snelvleuglige ademen,

En bronnen van rivieren, en van ’tzeegestrook

Het talloos lachen, en almoeder aard,

En ’t alziend rond der zonne roep ik aan:

Ziet welke dingen ik, een god, van goden lijd!

Ziet, door de krenking van wat kwalen

Vermaald, ik zwoegen zal

Den tienmaalduizendjaargen tijd!

Zoo smadelijke banden

Heeft tegen mij bedacht

Der zaalgen nieuwe vorst.

Wee wee! ik steen om ’t huidig en ’ttoekomend wee:

Hoe ooit van deze ellenden

Het eind mag opgaan!

En toch, wat spreek ik?—Zonneklaar weet ikvooruit

De gansche toekomst. Nimmer onvermoed zal mij

Een leed genaken …. Zijn beschikte lotmoet men

Naar ’t kan gelaten dragen door het inzicht dat[10]

De macht van ’t noodlot toch niet te bekampenis …

Maar zwijgen of niet zwijgen van dit ongeval—

Ik heb geen keuze. Stervers schafte ik goderecht,

En ben, rampzaalge, nu in dezen dwang gejokt,

’k Ving in de holte van het tondelriet van’t vuur

De steelsche bron die aller kunsten meesteres

Den stervelingen en een machtge helpster bleek.

Voor zulk een misdaad boet ik de verbeurde straf,

Den smaad van deze banden

1 2 3 4 5 6
Comments (0)
Free online library ideabooks.net