» » » Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2
Category: Philosophy / History
Title: Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2
Release Date: 2018-08-19
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 27 March 2019
Count views: 93
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 38
[Inhoud]

UIT DE ONTWIKKELINGSGESCHIEDENIS
VAN HET MENSCHELIJK DENKEN. II

WERELD BIBLIOTHEEK
UIT DE ONTWIKKELINGSGESCHIEDENIS VAN HETMENSCHELIJK DENKEN
DEEL II
(VAN KANT TOT HEDEN)
UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE ENGOEDKOOPE LECTUUR—AMSTERDAM

[5]

EERSTE AFDEELING.

KANT.

[7]

[Inhoud]

HOOFDSTUK I.

Leven en werken.

[Inhoud]

§ 1. Leven enpersoonlijkheid.

Immanuel Kant werd den 22 April 1724 te Koningsbergenals zoon van eenvoudige burgers geboren. Zijn vader, een zadelmaker,was een ernstig, eerzaam, vlijtig handwerksman. Zijn moeder had eeninnig, vroom gemoed, een helder, gezond verstand, een open oog voor denatuur. Beide ouders waren op godsdienstig gebied de piëtistischerichting toegedaan. Er heerschte in het huisgezin, waar de jongeImmanuel opgroeide, een ernstige, zedelijke stemming, wat diepen indrukop hem gemaakt heeft. Zijn geloof aan God, aan de onsterfelijkheid derziel, aan ’s menschen zedelijke vrijheid, kon hij uit hetouderhuis als onwrikbare overtuiging meenemen.

Reeds vroeg grooten aanleg vertoonende, werd hij op raad van den“huispredikant” der familie, in ’t najaar van 1732leerling van een school voor voorbereidend hooger onderwijs, (’tcollegium Fridericianum) waar hij zeer goedlatijn leerde, maar ook onder “strenge tucht van dwepers”stond en [8]waar hij heel wat godsdienstplichten vervullenmoest.

In 1740 kwam Kant als student aan de hoogeschool te Koningsbergen,waar hij in ’t bizonder wis- en natuurkunde studeerde. Eigenlijkwas de filosofische faculteit slechts een voorbereiding tot de andere.Kant echter, al heeft hij de theologische gekozen en misschien zelfsals candidaat in de omgeving gepreekt, gevoelde zich ’t meest totwis- en natuurkundige studies aangetrokken.

En met een natuurkundige verhandeling—zijneerstelingsarbeid—nam hij in 1746 afscheid van de academie, waarhij slechts weinig uitnemende leermeesters had aangetroffen.

Naar de gewoonte dier dagen ging de onbemiddelde jonge man zijnbrood als huisonderwijzer verdienen. Als zoodanig was hij inverschillende aanzienlijke families in Oost-Pruisen werkzaam. Zoo konhij—de zadelmakerszoon uit piëtistische omgeving—defijne, tactvolle man der wereld worden, die hij later, als hij wou, konzijn.

Over zijn gaven als opvoeder was Kant zelf slecht tevreden. Hijwist, naar eigen zeggen, meer van de theorie dan van de practijk. Heelslecht schijnt die practijk intusschen niet geweest te zijn. Het iszeker geen bloot toeval, dat velen van Kant’s leerlingenvoorgingen in de afschaffing der lijfeigenschap. “De ingewandenkeerden mij in ’t lichaam om, wanneer ik dacht aan de schande derlijfeigenschap in mijn land,” zei hij eens.

In 1755 meende Kant genoeg geld overgehouden en voldoende kennisvergaderd te hebben, om zich—voorbereiding voor hetprofessoraat—als privaatdocent te kunnen vestigen. Hij bleef dittot 1770, toen er eerst een professoraat voor hem kwam. Het eenigebezoldigde ambt—het gaf nog geen honderd [9]thaler—dat hij tot dien tijd bekleedde, wasdat van onder-bibliothecaris. Toch moet men zich Kant’s positiein dien tijd niet als zeer slecht voorstellen. Hij zelf placht ditlater de gelukkigste periode van zijn leven te noemen, en zijn werkenuit die jaren zijn in een levendigen, pittigen, dikwijls geestigenstijl geschreven. Als docent stond hij ook toen in volle kracht.Herder, de dichter-denker, heeft ons het beeld van Kant als academischleeraar uit het begin der zestiger jaren met frissche kleurengeteekend.

Boeiend en geestig, zelf nimmer aanmatigend, de waarheid boven allesliefhebbend, zijn leerlingen liefde voor de waarheid en lust tot studieinboezemend, gaf hij, zonder ooit te vervelen, college over de meestverschillende onderwerpen, “en niets wetenswaardigs was hemonverschillig.”

Na de aanvaarding van zijn professoraat heeft Kant een geruimen tijdniets in ’t licht gegeven. Ingespannen denkarbeid hield hembezig. In 1781 kwam zijn hoofdwerk, de critiek der zuivere rede. Overde geschiedenis van Kants werken spreken we in de volgende§§.

Van zijn uiterlijk leven valt weinig te vertellen. Als zoovelegroote wijsgeeren was ook Kant ongetrouwd. Hij leidde een buitengewoonregelmatig geleerdenleven: 5 uur op, 10 uur naar bed, op vaste tijdenarbeiden en wandelen. Aan tafel zag hij gaarne een paar vrienden en hijvoerde het tafelgesprek ver over het uur. Zijn stoffelijkeomstandigheden waren langzamerhand gunstig geworden: hij liet nog eenhuis en een 30.000 thaler na.

Een bitter verdriet werd den denker, wiens roem zich reeds bij zijnleven over beschaafd Europa had verspreid en om wien te hooren en tezien menschen [10]van heinde en ver naar Koningsbergen kwamen, nogin zijn 70ste jaar aangedaan.

Tijdens de regeering van Frederik den Groote had hij zich mogenverheugen in volle leervrijheid en achting. Waarschijnlijk heeftFrederik nooit iets bijzonders van Kant geweten, misschien den naamniet eens gekend. Maar zijn minister voor onderwijszaken, Von Zedlitz,koesterde grooten eerbied voor Kant en had zich van zijn leer op dehoogte laten brengen. Aan hem is dan ook de critiek der zuivere redeopgedragen. De opvolger van Frederik den Groote was echter eenbekrompen, dweepziek man, die Von Zedlitz ontsloeg en in diens plaatseen zijner geestverwanten benoemde, die de vrije gedachtenuitingzooveel mogelijk tegenging. Toen nu Kant in 1794 een werkje over dengodsdienst uitgaf, waarin hij o. a. opkwam tegen de orthodoxe opvattingvan het christendom, barstte de bom. Er kwam een berispend schrijvenuit het kabinet des konings waarin bedreiging met strengeremaatregelen, indien hij in deze richting voortging. Kant overwoogernstig wat hem te doen stond. Herroepen wilde hij niet. Hij verdedigdeveeleer in een schrijven de vrijheid van den leeraar der hoogeschool,verbond zich echter, als gehoorzame dienaar van Zijne Majesteit, nietmeer over religie, ’t zij de geopenbaarde, ’t zij denatuurlijke, te schrijven.

Onder zijn onvermoeid denken is Kant vroeg oud geworden. Reeds zijnwerken van 1781 dragen daarvan de sporen. Zijn laatste levensjaren zathij in frissche oogenblikken nog aan zijn schrijftafel, maarproduceerde niet veel van beteekenis. Zijn vermogen om te combineerenwas gewoonlijk weg, herinnering ontbrak. Dwangvoorstellingen, rijenwoorden, wijzen uit zijn kinderjaren, drongen zich aan hem op. Bange[11]droomen kwelden hem ’s nachts, onrust desdaags. Den 12den Februari 1804 overleed hij na langzaam afsterven.“Het is goed,” waren zijn laatste woorden. Hij is begravenin den Koningsberger dom, waar voor een passende omgeving isgezorgd.

Persoonlijkheid.

Kant was een flegmatische, weinig door emoties bewogennatuur,een verstandsmensch van taaie volharding en groote werkkracht. Man vangroote belangstelling en ontwikkeling, reisde hij toch zeer weinig. Dedenker, die ook een beteekenend aardrijkskundige was, had nooit bergengezien. Nu bood Koningsbergen, voor dien tijd een niet onaanzienlijkestad, met belangrijken handel, en in het oosten des rijks gelegen in denabuurschap van andere volken (Polen b.v.) veel om op te merken.Reisbeschrijvingen behoorden tot Kants liefste lectuur. Ook sprak hijliever over andere dingen dan over wijsbegeerte. Hij kon op dit gebiedniet best hóóren en verdroeg moeilijk afwijkingen vanzijn meeningen. Met zijn voorgangers was hij over ’t geheelslecht bekend. De enorme belezenheid van Leibniz was niet de zijne.

Kant was innig vroom en van eerbied vervuld voor de religie. Vangodsdienstvormen, die hij ledig achtte had hij echter een beslisteafkeer en kerksch was hij allerminst. Van den onderdaan gehoorzaamheidtegen den vorst eischend, betoonde hij die zelf ook. Overigens gevoeldehij weinig voor den Pruisischen staat. Hij vond de gruwelen van denoorlog verschrikkelijk. Den Amerikaanschen vrijheidsoorlog bewonderdehij, de groote beginselen der Fransche revolutie wist hij te schatten.De grootste filosoof van Duitschland was een vrijheidlievendwereldburger, die in zijn enge omgeving niet alleen het groote rijk derwetenschap [12]doorzocht, maar ook op de gebeurtenissen van’t politieke leven belangstellend ’t oog hield gericht.

[Inhoud]

§ 2. Werken enOntwikkelingsgang.

De voorcritische periode.

Toen Kant zijn hoofdwerk schreef was hij 57 jaar oud.Hij had een belangwekkenden ontwikkelingsgang doorloopen, voor hij totden opbouw van zijn leer kwam. De voortreffelijkste Kant-kennersverschillen onderling over de invloeden, die op Kant hebben ingewerkt,over de vraag, welke richtingen achtereenvolgens de zijne zijn geweest.In een populaire uiteenzetting kan op de bizonderheden niet ingegaanworden, maar het is wenschelijk, reeds bij den aanvang de aandacht tevestigen op het gebruik der woorden: het schijnt, waarschijnlijk, enz.,die er telkens aan moeten herinneren, dat hier nog niet allesvaststaat, evenmin als in de biografie.

Toen Kant de academie verliet, was hij in de metafysica eenaanhanger van Wolff. Hij dacht, als alle rationalisten, dat er eenzekere, gewisse kennis der wereld te verkrijgen was op redelijkengrondslag. Echt kind der aufklärung zag hij, het onwetendegepeupel verachtend, in verstandsontwikkeling de taak en de waarde vanden mensch. Op natuurwetenschappelijk gebied sloot hij zich meer aanbij Newton en tot ’60 blijft zijn aandacht meer opnatuurwetenschappelijke vraagstukken gevestigd. Met groote liefdebehandelde hij ook kwesties van aardrijkskundigen aard. Had zijn roemals wijsgeerig denker niet zijn beteekenis op dit gebied overstraald,hij zou als een baanbrekende geest op geographisch gebied zijngehuldigd. Als hoogleeraar gaf hij gaarne colleges over denatuurkundige aardrijkskunde. Zijn scheppende [13]beteekenis hier blijkt misschien wel ’tduidelijkst uit ’t volgende feit: Bij koninklijk besluit werdbepaald, dat hoogleeraren bij hun colleges gebruik moesten maken vanhandboeken. Met name echter werd Kant voor zijn college over physischegeografie daarvan vrijgesteld, omdat er … geen handboekwas.

Omtrent 1760 wendt Kant’s blik zich meer van de buitenwereldnaar de binnenwereld: de mensch begint hem te interesseeren en hij ginginzien, dat diens waarde niet alleen lag in zijn verstandelijkeontwikkeling. Hier werkte, naar Kant’s eigen woorden, de invloedvan Rousseau, wiens Emile in 1762 verscheen. “Rousseau heeft mijterecht gebracht.” Voor Rousseau was het geloof aan God nietgevolg van verstandelijke overwegingen, maar het ontsprong aan debehoeften van zijn gemoed. De kennismaking met deze overtuiging, haartoppunt bereikend in het: “le sentiment est plusque la raison” (het gevoel is meer dan het verstand) magKant er toe gebracht hebben, om den rug te keeren aan de Wolffschenatuurlijke theologie. Maar ook op het terrein der kennistheorie kwameen wending. Ook hier verliet hij het rationalisme, om een meerempirische richting in te slaan. In de jaren tusschen ’60 en’70 is er soms een zekere sceptische toon merkbaar. Dikwijlsduidt men deze periode, volgend op zijn rationalistische, aan met dennaam empirisch-sceptische. Of die kwalificeering juist is? Nietonwaarschijnlijk is het, dat Kant’s denken in dien tijdgeslingerd heeft tusschen empirisme en rationalisme. De invloed vanHume, met wiens werken hij in allen gevalle slechts gedeeltelijk bekendwas, had hem, naar zijn eigen woorden, uit den dogmatischen sluimerwakker geschud. Wanneer? Misschien tusschen ’60 en ’65,misschien tusschen ’65 en ’70, misschien na ’72,misschien heeft hij meermalen [14]Hume’s invloed ondergaan. Maarin den tijd van ’60–’70 valt ook de verschijning vanLeibniz’ Nouveaux Essais, (vergel. I pag.296) welks lectuur weer naar het rationalisme trok.

We zouden dus dit kunnen zeggen:

Het Wolffsche rationalisme heeft Kant na 1760 beslist verlaten.

Tot het standpunt, dat in ’70, bij de aanvaarding van hetprofessoraat werd ingenomen, is hij beslist nog niet gekomen.

Hij neigt in dezen tijd sterk tot het empirisme. Maar het magbetwijfeld worden, of hij in deze jaren gemeend heeft, dat al onzekennis uitsluitend uit ervaringselementen opgebouwd was. Evenmin is metzekerheid te zeggen, dat hij gewanhoopt heeft aan de mogelijkheid, omkennis te krijgen van de dingen der zinnelijke wereld, zooals zijzijn.

Spreken wij dus van Kant’s sceptische-empirische periode, dandient dit woord met groote omzichtigheid aanvaard te worden.

Preisschrift. Wiskunde en wijsbegeerte.

Van de werken uit dezen tijd noemen wij drie: In 1763beantwoordde hij een prijsvraag. In het “Preisschrift” komttot de conclusie, dat wiskunde en wijsbegeerte niet dezelfde methodehebben. Onder wijsbegeerte worden dan zoowel de natuurwetenschappen alsde metafysica begrepen. Door onderscheidene methoden van behandeling teeischen, breekt Kant met het rationalisme, dat de wijsbegeerte steedsnaar de wijze der meetkunde had behandeld, zij ’t niet in zoostreng wiskundigen vorm als Spinoza.

Wat is dan het verschil?

De wiskunde construeert, de wijsbegeerte analyseert. Lichten we dittoe. [15]

De wiskundige maakt zijn begrippen. Hij kan bijv. een rechthoekigendriehoek nemen en die om een zijner rechthoekszijden laten wentelen. Erontstaat dan een kegel. In het begrip kegel komen niet meer kenmerkenvoor, dan hij er zelf in gelegd heeft. Hij kan met dat begrip dusrustig verder werken.

Maar neem nu bijv. den natuurkundige.

Hij heeft ijzer, dat hij moet onderzoeken. Hij kan bijv. hetvolgende begrip van die stof hebben: hard, zwaar, zet bij verwarminguit, kan roesten. Maar in dat ijzer kunnen nog andere kenmerken zitten.Het heeft een bepaald soortelijk gewicht: 1 dM3.weegt 7,17 KG. Het heeft een bepaalde uitzetting, bij 1°C.verwarming wordt 1 M. 1,000012, één M3.1,000036. Het heeft een bepaald smeltpunt: bij1200–1400°C. smelt het. Het is een goede geleider voorelectriciteit. Deze kenmerken

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 38
Comments (0)
Free online library ideabooks.net