» » De Hoovenier

De Hoovenier

De Hoovenier
Category:
Title: De Hoovenier
Release Date: 2018-08-25
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 27 March 2019
Count views: 52
Read book
1 2 3 4 5 6 7
[Inhoud]

DE HOOVENIER

DE HOOVENIER
ZEVENDE TOT TIENDE DUIZEND
UITSLUITEND GEAUTORISEERDE VERTALING
AMSTERDAM—1921—W. VERSLUYS

[5]

[Inhoud]

I.

DIENAAR.

Ontferm u oover uw dienstknecht, mijn kooningin!

KOONINGIN.

De raad is uiteengegaan en mijn bedienden zijn allen vertrokken.Waarom komt gij zoo laat?

DIENAAR.

Als gij gedaan hebt met de anderen dan is het mijn tijd.

Ik kom vragen wat er voor uwen laatsten dienstknecht te doen is.

KOONINGIN.

Wat kunt gij verwachten, als het te laat is?

DIENAAR.

Maak mij hoovenier in uwen bloemhof.

KOONINGIN.

Wat beteekent die dwaasheid? [6]

DIENAAR.

Ik zal mijn ander werk opgeeven. Ik zal mijn zwaarden en lansen inhet stof werpen. Zend mij niet naar verre hooven; vraag mij niet opnieuwe verooveringen uit te gaan. Maar maak mij hoovenier in uwenbloemhof.

KOONINGIN.

En wat zal dan uw werk zijn?

DIENAAR.

De dienst van uwen leedigen tijd.

Ik zal het grazige pad frisch houden waar gij des morgens wandelt,waar uw voeten loovend gegroet zullen worden bij iederen tred, door debloemen, die verlangen te sterven.

Ik zal u wiegen in een schommel tusschen de takken van densaptaparna-boom, waar de vroege avondmaan uw kleed zal trachtente kussen door het loover.

Ik zal de lamp, die brandt naast uw bed, met geurige olie vullen, enuw voetbank versieren met sandel- en safraandeeg in wonderbareteekening. [7]

KOONINGIN.

En wat verlangt ge voor uw loon?

DIENAAR.

Verlof om uw kleine vuisten te omvatten als teere lotos-knoppen enbloemenkeetenen om uw polsen te slaan; om de zoolen van uw voetjes methet roode sap van asjoka bloembladen te kleuren, en het plekjestof dat daar nog mocht gebleeven zijn, weg te moogen kussen.

KOONINGIN.

Uw beede is verhoord, mijn dienaar, gij zult de hoovenier zijn inmijn bloemhof. [8]

[Inhoud]

II.

O, dichter, de avond valt, uw haar vergraauwt.

Hoort gij, in uw eenzaam gepeins, bericht van hetgénerzijds?

„Het is avond” zei de dichter „en ik luister ofiemand mocht roepen uit het dorp, al is het ook laat.

Ik geef acht, of jonge zwervende harten elkander soms ontmoeten, oftwee paar greetige oogen soms muziek verlangen om hun zwijgen tebreeken, en om voor hen te spreeken.

Wie zou hun hartstochtelijke zangen vlechten, als ik aan den randdes leevens zat, in beschouwing van den dood en hetgénerzijds?

De vroege avondster verdwijnt.

De gloed van een dooden-brandstapel sterft langsaam weg bij destille rivier.

Het koor van jakhalzen schreeuwt van uit den hof van het verlatenhuis, in het licht der kwijnende maan. [9]

Als nu een zwerver, na ’t verlaten van zijn huis, hier kwam omacht te geeven op den nacht, en met geboogen hoofd te luisteren naarhet murmelen der duisternis, wie zou hem dan de geheimen van het Leevenin ’t oor fluisteren, als ik mijn deuren sloot en mijzelventrachtte te bevrijden uit sterfelijke banden?

Dat mijn haar vergraauwt is een kleinigheid.

Ik ben altijd eeven jong of eeven oud als de jongste en de oudstevan dit dorp.

Sommigen hebben lachjes, lief en eenvoudig, sommigen een schalketinteling in hun oogen.

Sommigen hebben tranen die in het daglicht opwellen, anderen hebbentranen die in ’t duister verborgen blijven.

Zij hebben mij allen noodig, en ik heb geen tijd om oover hethiernamaals te peinzen.

Ik ben van elk een tijdgenoot. Wat maakt het uit dat mijn haarvergraauwt?” [10]

[Inhoud]

III.

Des morgens wierp ik mijn net uit in de zee.

Uit de donkere diepte haalde ik dingen op van wonderlijk aanzien envreemde schoonheid. Sommigen glansden als een glimlach, sommigenblonken als tranen, en anderen bloosden als de wangen eener bruid.

Toen ik huiswaarts keerde met mijn dagelijksche vracht, zat mijnlief in den hof en trok ijdelijk de bladen uit een bloem.

Ik weifelde een oogenblik, legde toen aan haar voeten alles wat ikopgehaald had, en wachtte zwijgend.

Zij oogde er naar, en zeide:

„Wat voor zonderlinge dingen zijn dat? Ik weet niet waarvoorzij dienen.”

Ik boog beschaamd mijn hoofd en dacht: „ik heb er niet voorgevochten, ik kocht ze niet op de markt, dat zijn geen waardigegeschenken voor haar.”

En den heelen nacht dóór wierp ik henéén voor één op straat.

Des morgens kwamen reizigers; zij raapten hen op en droegenhen naar verre landen. [11]

[Inhoud]

IV.

Helaas, waarom bouwden ze mijn huis aan den weg dienaar de marktplaats voert?

Zij meeren hun volle booten digt bij mijn boomen.

Zij koomen en gaan en dwalen naar ’t hun lust.

Ik zijt en let op hen; mijn tijd verstrijkt.

Ik kan hen niet wegjagen. En zoo gaan mijn dagen om.

Nacht en dag klinken hun schreeden bij mijn deur.

Te vergeefs roep ik: „Ik ken u niet.”

Mijn vingers kennen enkelen hunner, mijn neusgaten kennen anderen,het bloed in mijn aderen schijnt hen te kennen, en mijn droomen kennensommigen.

Hen wegjagen kan ik niet. Ik roep hen en zeg: „Kom in mijnhuis wie lust heeft. Komt vrij!”

Des morgens luidt de klok in den tempel.

Zij koomen met hun manden in de hand. [12]

Hun voeten zijn roozerood. Het vroege licht van de dageraad is ophun gelaat.

Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en zeg: „Komt in mijntuin om bloemen te plukken. Komt gerust.”

In den middag klinkt de gong aan de paleis-poort.

Ik weet niet waarom zij hun werk verlaten en treuzelen bij mijnheg.

De bloemen in hun haar zijn bleek en verwelkt; de toonen kwijnen inhun fluiten.

Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en zeg: „Onder mijnboomen is de schaduw koel. Komt vrienden!”

Des nachts sirpen de kreekels in het bosch.

Wie komt er langsaam tot mijn deur en klopt zachtkens?

Vaag zie ik een gelaat, geen woord wordt gesprooken, ooveral-om isde stilte van den heemel.

Wegjagen kan ik mijn stille gast niet. Ik zie naar het gelaat in’t duister en uuren van droomen gaan voorbij. [13]

[Inhoud]

V.

Ik ben rusteloos. Mij dorst naar verre dingen.

Mijn ziel gaat uit in verlangen om het kleed aan te raken van descheemerige verte.

O groot Génerzijds! O dringende roep van uw pijpen.

Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat ik geen vleugels heb, datik voor eeuwig aan deeze plek gebonden ben.

Ik ben greetig en waaksaam, een vreemdeling in een vreemd land.

Uw Adem bereikt mij en fluistert een onmoogelijke verwachting.

Uw spraak wordt door mijn hart gekend als zijn eigene.

O Gij die verre te zoeken zijt, o de dringende roep van uwpijpen.

Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat ik den weg niet ken, dat ikhet gevleugelde paard niet heb. [14]

Ik ben lusteloos, ik ben een zwerver van harte.

In den zonnigen neevel van de kwijnende uuren, welk van uw machtigevizioenen neemt vorm aan in het blaauw des heemels?

O verst verwijderd Eind, o dringende roep van uw pijpen.

Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat de poorten ooveralgeslooten zijn, in het huis waar ik eenzaam woon. [15]

[Inhoud]

VI.

De tamme voogel was in een kooi, de vrije voogel wasin ’t woud.

Zij ontmoetten elkaar te gezetter tijd, zoo wilde het ’tnoodlot.

De vrije voogel roept: „O geliefde, laat ons vluchten naar’t woud”.

De gevangen voogel fluistert: „Kom hier, laat ons samen woonenin de kooi”.

Zegt de vrije voogel: „Waar is ruimte tusschen de tralies omde wieken uit te slaan?”

„Helaas!” roept de gekooide voogel: „Ik weet nietwaar ik zou kunnen neerzitten in den vrijen heemel.”

De vrije voogel roept: „Mijn lieveling, zing het lied derwoudstreeken.”

De kooi-voogel zegt: „Zit bij mij neer, ik zal u de taal derwijzen leeren!”

De woudvoogel roept: „O neen! neen! zangen kunnen nooitgeleerd worden.”

De kooi-voogel zegt: „Wee mij! ik ken de zangen derwoudstreeken niet.” [16]

Hun liefde is heftig van verlangen, maar zij kunnen nooit vliegenwiek aan wiek.

Zij zien door de tralies van de kooi, en te vergeefs is hun wenschom elkander te kennen.

Zij fladderen met hun vleugels in verlangen en zingen: „Komdigterbij, mijn geliefde!”

De vrije voogel roept: „Het gaat niet, ik ben bang voor degeslooten deurtjes van de kooi.”

De kooi-voogel fluistert: Helaas, mijn wieken zijn machteloos endood.” [17]

[Inhoud]

VII.

O moeder, de jonge Prins zal onze deur voorbijkoomen—hoe kan ik dan aan mijn werk blijven van ochtend?

Toon mij hoe ik mijn haar moet vlechten; zeg mij wat kleed ik zalaantrekken.

Waarom zie je zoo verwonderd naar mij, moeder?

Ik weet wel dat hij niet zal opzien naar mijn vensters; ik weet dathij in een oogwenk uit mijn gezicht zal zijn; alleen de wegstervendezang van de fluit zal klagend tot mij koomen van verre.

Maar de jonge Prins zal onze deur voorbij koomen en ik zal mij voordat oogenblik op mijn best kleeden.

O moeder, de jonge Prins is onze deur voorbij gekoomen en demorgenzon flikkerde van zijn wagen.

Ik vaagde de sluyer van mijn gelaat weg, ik reet het robijn-snoervan mijn hals en wierp het op zijn pad. [18]

Waarom zie je zoo verwonderd naar mij, moeder?

Ik weet wel dat hij mijn snoer niet opnam; ik weet dat hetverbrijzeld werd onder zijn wielen en een roode vlek liet op het stof,en niemand weet wat mijn gave was, noch voor wien.

Maar de jonge Prins is onze deur voorbij gekoomen en ik wierp dejuweelen van mijn borst op zijn weg. [19]

[Inhoud]

VIII.

Toen de lamp uitdoofde naast mijn bed, ontwaakte ikmet de vroege voogels.

Ik zat voor mijn oopen venster, met een versche krans op mijn loshaar.

De jonge reiziger kwam den weg af in de roze morgenneevel.

Een paerelsnoer was om zijn hals en de zonnestralen vielen op zijnkruin.

Hij stond stil voor mijn deur en vroeg mij met een greetigenuitroep: „Waar is zij?”

Van louter schaamte kon ik niet zeggen: „Zij is Ik, jongereiziger, Zij is Ik.”

Het scheemerde en de lamp brandde niet.

Lusteloos vlechtte ik mijn haren.

De jonge reiziger kwam op zijn wagen in den gloed der ondergaandezon.

De paarden schuimbekten en er was stof op zijn gewaad.

Hij stapte uit voor mijn deur en vroeg met vermoeide stem:„Waar is zij?” [20]

Van louter schaamte kon ik niet zeggen: „Zij is Ik, moedereiziger, Zij is Ik.”

Het is een Aprilnacht. De lamp brandt in mijn kamer.

Zachtkens komt de Zuidewind. De praatzieke papagaai slaapt in zijnkooi.

Mijn keurs heeft de kleur van een paauwehals, mijn mantel is groenals jong gras.

Ik zit op den vloer bij ’t venster en let op de verlatenstraat.

Door den donkeren nacht blijf ik neurieën: „Zij is Ik,vertwijfelend reiziger, Zij is Ik.” [21]

[Inhoud]

IX.

Als ik des nachts alleen naar de samenkomst van minnega, dan zingen de voogels niet, de wind roert zich niet, stom staan dehuizen ter weerszij van de straat.

Het zijn mijn eigen enkel-ringen, die luidruchtig worden bij elkenstap, en ik schaam mij.

Als ik op mijn balkon zit en naar zijn voetstap luister, danritselen de bladen niet aan de boomen, het water in de rivier is stomals het zwaard op de knieën van een ingeslapen schildwacht.

Het is mijn eigen hart dat wild slaat—ik weet niet hoe ik hetzal doen bedaren.

Als mijn geliefde komt en aan mijn zijde zit, als mijn lijf beeft enmijn oogleeden needergaan, dan wordt de nacht donker, de wind blaast delamp uit, en de wolken trekken sluyers oover de starren.

Het is het juweel op mijn eigen borst dat glans en licht geeft. Ikweet niet hoe ik het moet verbergen. [22]

[Inhoud]

X.

Laat uw arbeid staan, bruid. Luister, de gast isgekoomen.

Hoort ge? hij rammelt zachtkens aan de ketting die de deur digthoudt.

Let op dat uw enkelringen geen luid gerucht maken, en dat uw stapniet te haastig is bij het hem tegemoet gaan.

Laat uw arbeid staan, bruid, in den avond is de gast gekoomen.

Neen! het is niet de spookachtige wind, bruid, wees nietverschrikt.

Het

1 2 3 4 5 6 7
Comments (0)
Free online library ideabooks.net