» » Het Kindeken Jezus in Vlaanderen

Het Kindeken Jezus in Vlaanderen

Het Kindeken Jezus in Vlaanderen
Category:
Title: Het Kindeken Jezus in Vlaanderen
Release Date: 2018-11-19
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 27 March 2019
Count views: 106
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 23
[Inhoud]

HET KINDEKEN JEZUS IN VLAANDEREN

[Inhoud]

Van denzelfden schrijver verschenen vroeger:

  • PALLIETER, 9e druk.
  • PALLIETER, 10e druk. Prachtuitgave, gellustreerd door Anton Pieck.
  • SCHEMERINGEN VAN DEN DOOD, 2e druk.
  • BOUDEWIJN, 2e druk.
  • DE ZEER SCHOONE UREN VAN JUFFROUW SYMFOROSA, BEGIJNTJE, 2e druk.
  • ANNA-MARIE, 2e druk.

[Inhoud]

In de kader en de landschappen van ons schoon en goed Vlaanderen, heb ik mij het Goddelijkeverhaal van het Kindeken Jezus, zijne zoete moeder en zijn goeden voedstervader verbeeld,en met wat letterkunde in groot genoegen omcierd.

En vol van grooten eerbied draag ik deze tafereelkens aan Maria Viola, van Hollandop.

Felix Timmermans.

HET KINDEKEN JEZUS
IN VLAANDEREN
DERDE DRUK
Uitgeverslogo: P. N. VAN KAMPEN & ZOON AMSTERDAM

AMSTERDAM
P. N. VAN KAMPEN & ZOON

[Inhoud]

DE AANKONDIGING.

Murmelend bad Maria in de late Zondagstilte:

„Hij kusse mij met den kusse zijns mondts; want uw borsten zijn beter dan wijn. Welriekendenaar de alderbeste zalven; uitgestorte oly is uw naam, daarom hebben de jonge dochterkensu bemint ….

„Ik ben een bloeme des veldts en eene lelie der dalen …

„Gelijk een appelboom onder de boomen der boschagen alzoo is mijn lief onder de zonen,onder zijne schaduw heb ik gezeten en zijn vrucht is zoet in mijn kele.

„Hij heeft mij geleidt in den wijnkelder, hij heeft de liefde in mij geschikt, onderzetmij met bloemen, omzet mij met appelen want ik quelle van liefde!….”

Maria zweeg en even opziende uit het zwaar getijdenboek, zag zij reeds de smalle sikkel[2]van de maan in den perelmoeren hemel hangen.

De avond kwam, en in het proper tuintje stonden aangename geuren van boonen van genuchten,en ievers was een vogel die voor zijn eigen floot.

Zij duwde haren neus in de gele bloemen die zij in een blauw delftsch vaasje op detafel had gezet, en zij zuchtte.

Het was van een week en zoet gevoel dat haar deed stil zijn en de oogen luiken. Hetwas het vrouwelijk verlangen om kinderen te hebben, zoete, zachte kinderen met blondhaar en blozende gezichten; en die zij in hare kinderlijke verbeelding niet zag grooterworden, en haar zouden gegeven zijn lijk ’s avonds de dauw op de beemden zijgt.

Want Maria was zeer rein en zuiver van gepeinzen.

Zij verlangde zoo smachtend naar ’t bijzijn van een eigen kind! Ach, hoe dikwijlsheeft zij niet gestaan met tranen in de oogen, te droomen naar de blijde kinderendie bij avonddaling, zingend uit de velden kwamen!

En nu in dezen Maartschen Zondagavond liep er haar hart van over en voelde zij daardooreen groote eenzaamheid.

Want zij was nog maar een maagdeken van achttien jaar.

Zij woonde in het witte huisje, met geel en zwart geruite vloeren, alleen sedert haregoede moeder Anna in de geur van heiligheid gestorven was.

Daar aan den witten muur hong moeders [3]beeltenis, geschilderd door den monnik Lucas, een man die heilige boeken verluchtteen ’t leven der aartsvaders en eremieten kunstig op ’t glas wist neer te malen ente bakken.

De schemering die om de eenvoudige dingen waarde, zooals er daar waren koperen kandelaarsen gebloemde tellooren en zilveren glazen vazen met wassen bloemen in, liet nog alleenzien het bleeke hoofd der eerbiedwaardige moeder Anna.

Met die profetelijk bijeengehouden lippen, de perelzwarte oogen en het haar zorgelijkover de ooren gekamd, zoo leefde ze steeds helder voort in de verbeelding van haareenig kind. Zoo zag Maria haar nog de boterhammen snijden, de avondgebeden zeggenen ’s Zondags uit de beste kamer komen, gereed om naar de kerk te gaan; hare zwartekleederen ruischten dan, een kerkboek stak onder den arm en een witte trekmuts verhelderdehaar hoofd.

De moeder bracht haar kind op in de vreeze Gods, en toen ze kalm en gelaten haar ongerepteziel, door Onzen Lieven Heer liet afplukken lijk een bloem, kwam er een lach op harelippen en begon haar lichaam naar kostelijk fruit te rieken.

Maria, die toen nog maar zestien jaren was, en zag hoe hare moeder kalm sterven kon,hield een grooten troost over, en met de goede herinnering harer, leefde zij het eenvoudige,witte leven voort.[4]

De dag kwam en de nacht, het wierd winter en weer zomer en Maria at zuinig den schaarschenkruimel brood dien zij verdiende over het kantkussen gebogen. Dit had ze nog geleerdtoen zij met haar ouders op de heuvelen van Zuid-Vlaanderen woonde—en haar genot wasleven in den Heer en bidden in het boek door Lucas rijkelijk met kleurige printenen guldene versiersels opgeluisterd.

Maar nu in dezen Zondagavond was zij stil van weemoed en vol van moederlijk verlangen.

Toen kwamen er trage stappen aan. ’t Was de korte, dikke parochie-paap, die al wandelendin zijn brevier aan ’t lezen was.

Hij wandelde nevens de haag, zag Maria aan het open venster zitten en riep haar welgezindeen goeden avond toe, en dan kwam hij door het tuinpoortje over den blonden wegelnaar haar.

Hij bleef buiten aan het venster staan, lachte haar eens vaderlijk toe, en toen Maria,die recht gestaan was, hem zijnen zegen vroeg, gaf hij hem haar met lui gebaar, enzei daarna, dat het een schoone avond was, maar dat er morgen wel zou kunnen regenkomen.

Bedeesd en vol van eerbied voor den dienaar Gods gaf zij karig bescheid en liet deavondstilte heerschen.

Het hoofd van dezen paap was groot, rood en vetblinkend tegen de avondlucht.

„Ja, ja, het is goe weer,” zei hij nogmaals. Want hoe hij ook vol iever was voor ’tzielenheil zijner schapen, toch kon hij niet den geest van God in [5]zijne woorden leggen. Hij bezag Maria, die niets op haar gemak in den boek aan ’tblaren ging. Hij zag maar al te duidelijk hoe dit meisje vrouw aan ’t worden was,en hoe zij haar borsten wegdrukte in het spannende, zwaarplooiend blauwe kleed. Envol bekommernisse om haar zielezuiverheid zocht hij naar woorden om haar zijn onrustdietsch te maken. Want hij wist maar al te wel hoe gevaarlijk de duivel zoekt en vindt,bijzonder in den maagdekenstijd. En hij zei: „Ge zoudt nonneken moeten worden.”

„Ja?” vroeg Maria verschietend.

„Ja,” zei de paap.

Weer kwam de stilte tusschen hen, de avond groeide en een ster kwam hen bezien. Eindelijkzei de man dat hij naar ’t lof moest gaan, wenschte haar een goeden nacht en zettezijn lezende wandeling langs een smalle wegel door de velden voort, in de richtingvan een spits kerktorentje.

Maria was daarna zeer aangedaan. Nonneken worden!

Medeen zag zij het klooster der witte nonnekens, waar het proper en helder was enwaar de zoete fijne geur van wierook in de lange gangen hing.

Het was haar steeds een aangename stond als zij bij de zusterkens haar kant kwam leveren.Zij konden toch zoo gemakkelijk lachen, waren steeds opgeruimd, pratend en vlug, enzoolang het seizoen duurde vulden zij het biezen korfken van Maria met de schoonste,sappigste appelen. ’t Moest er plezierig zijn. Maar dan zou ze nooit [6]meer door de verre velden kunnen wandelen, geen kruid en waterlelies meer kunnen plukkenlangs het water van de Nethe, de leeuwerikken niet meer naar den hemel zien klimmenen niet meer de goedheid van den avond voelen nijgen op haar hart! De velden met hunsneeuw en hun zon, met hun bloemen en patattenvuren, och ’t was er toch heerlijk!en zoo aangenaam om te bidden!

En Maria zag over het land en voelde tranen in de oogen komen.

De hemel was blauwer geworden, maar een ijl groen licht bleef hangen, daar waar dezon was heengegaan; daartegen stonden de bottende boomen fluweelig zwart, en er waseen verre stilte over het land. Een vledermuisken fladderde voorbij de mane-sikkel,en door het berkenboomen-dreefken stuurde een manke herder zijn schapen naar den stal.

Toen bromde de klok voor ’t avondlof en in de verte wierd er een lichtje aangestoken.

Maria ging met een zucht van ’t venster weg. Zij wierp haren blauwen katoenen kapmantelom, nam haar kerkboek van de schouw en ging naar ’t lof.

Zij stapte door het dreefken, hare kleederen ruischten in de stilte en heur hart woogzwaar van weemoed.

En toen gebeurde het.

Er waaide een zoete muziek door de fijne takken der boomen. Maria zag bevreesd omhoogen toen ze weer voor zich keek, stond er daar, geweven [7]uit avonddamp en maneschijn, een overschoone engel met kers-roode kazuivel om, enlelinbloemen in zijn hand.

Hij was doorlicht van een hemelsch vuur en blonk als een kerkraam in de zon. Met zijnruischende pauwsteertenvlerken hief hij zich boven den grond, en een bedwelmende reukvan violen en kruidnagelen walmde van hem uit.

Het was alsof Maria ineens dat zag, wat ze steeds had verlangd, maar nooit had kunnenbepalen, en zonder vrees, maar overloopend van eerbied en ootmoedigheid, dierf zijden engel niet bezien en knielde neer in de madeliefkes van den weg.

En met een wonderzoet geluid, nooit van een mensch gehoord, lijk een orgel, zong hetuit den schoonen engel zijn mond, dat zij begroet was en den Heer bezat, en zij gebenedijdwas onder alle vrouwen, alsmede de heilige vrucht haars lichaams.

Maria dierf niet vragen hoe dit gebeuren zou, maar de engel zong: „De Heilige Geestzal over U nederdalen en de kracht des Allerhoogsten zal U overlommeren.”

Er kwam toen een stilte waarin Maria sprak vol overgave en bevend van verheuging:„Ziehier het dienstmaagdeken des Heeren, mij geschiedde naar uw woord!” en als Mariaweder opzag om den engel met haar oogen te bedanken, dreef het muziek uit de boomen,was het weer stil en avondeenzaamheid, en trage nevelen bedekten de velden ….

Als Maria weder binnenkwam, vergat zij de [8]lamp aan te steken, en weenend viel zij op tafel. Zij weende van overgroot geluk envan wondere begenadiging, dat de tranen op de gele bloemen leekten.

Buiten stond de lucht vol sterren.[9]

[Inhoud]

DE BEZOEKING.

Een bloeiende lentedag had de wereld omhangen met verheuging.

En Maria stapte langs de Nethedijk, dragende in een toegeknoopten handdoek, wat kleederen,een paar boterhammen en een sneedje gebakken spek. Want zij had de vrucht haars lichaamsin haar voelen opspringen, en dit blijde nieuws wilde zij gaan melden aan hare nichtElizabeth, alsook aan haren bruidegom Jozef, den timmerman.

Dezen Jozef aan wien zij was verloofd van in haar jonkheid (een oud gebruik in diedagen), niet opdat hij haar als gewone man zou dienen, maar als een die over haarzou waken, en in tijd van nood een toevlucht zoude zijn, dezen Jozef had zij maarens gezien, toen haar vader in laten ouderdom stierf en Jozef er de doodkist voormaakte.

Zij stelde hem zich steeds

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 23
Comments (0)
Free online library ideabooks.net