» » Uit Ouden Tijd

Uit Ouden Tijd

Uit Ouden Tijd
Category:
Title: Uit Ouden Tijd
Release Date: 2018-11-19
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 27 March 2019
Count views: 127
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 13
[Inhoud]

Uit Ouden Tijd.

Uit Ouden Tijd.

Uit Ouden Tijd
GELLUSTREERD.
VIERDE DRUK.
ALKMAAR.—GEBR. KLUITMAN.

[Inhoud]

Boekdrukkerij Gebr. Kluitman’s Uitgevers-Mij.—Alkmaar.[3]

[Inhoud]
Graaf en hondenjongen.

Graaf en hondenjongen.

Het was den 28sten Juni van het jaar onzes Heeren 1297, dat er in den Buitenhof vanhet Grafelijke jachtslot in „Die Haghe” zich een bonte menigte bewoog. Opgetuigdepaarden liepen aan de hand van stalknechts op en neer, en gaven dikwijls zulke krachtigebewijzen van hun ongeduld, dat de knechts wel beide handen noodig hadden om de darteledieren in toom te houden. Valkeniers, pluimgraven, hondenjongens, jagers, hofhoorigenvan allerlei bedrijf en ambacht,—lijfeigenen, boeren, ambachtslieden, schildknapen,Ridders en Edelen, alles liep in de bontste wanorde, die men zich maar voorstellenkan, door elkander en scheen ten laatste in het ongeduld der trappelende en snuivenderossen te deelen.

Wat was er te doen?

De dorpers van Rijswijk, Voorburg en Leydschendam hadden reeds gedurende verscheidenedagen geklaagd, dat de omstreken door een reusachtigen wolf zeer onveilig gemaaktwerden, doch daar dit dier zich meestal schuil hield op het jachtgebied van den Graaf,hadden ze den moed niet, het dier daar op te zoeken en te dooden. Nu stond er voorhen geen andere weg open dan den Graaf er kennis van te geven, dan kon deze, als hijhet goed vond, zelf op de jacht gaan en het dier dooden, of anders de Edelen uitnoodigen,het Grafelijke Hout van dien vreeselijken bewoner te verlossen. Had hij hiertoe geenlust, welnu, dan kon hij toestaan, dat de bewoners der genoemde plaatsen op [4]dit dier in het bosch een drijfjacht hielden. Iets in hun voordeel zou er gebeuren,dat wisten die lieden zeker, want al was de Genadige Graaf Jan, „der Keerlen God,”niet, hij was er toch een zoon van, en al liep de jonge man ook nog zoo aan den leibandvan den heerschzuchtigen, ruwen, wreeden en onbeschoften Zeeuwschen Edelman Wolfaerdvan Borselen, toch zou de Graaf hier uitkomst brengen. Het kon niet anders.

De jonge en zwakke Graaf, die zich zoo beheerschen liet was een groot liefhebber vande jacht, en daarom had hij besloten een algemeene drijfjacht op het roofdier te houden.Dit nu was de oorzaak, dat er reeds van den vroegen morgen af een ongewone drukteen bedrijvigheid heerschte in den Buitenhof van het jachtslot, waar het in den laatstentijd niet heel levendig geweest was.

Ondertusschen scheen men ongeduldiger te worden naarmate de schaduwen langer werden.Een uur na den noen was men bescheiden, en nu wees de zonnewijzer op den linkertorenvan het slot reeds n uur. Als ge dat vreemd vindt, dat ongeduld namelijk, dan dientge te weten, dat het middagmaal in die tijden zoo ongeveer tegen elf uur in den voormiddaggehouden werd, en dat men nooit sprak van een noenmaal of noen. Al vroeg in den morgen,des zomers zeker om zes uur, ontbeet men.

Het ongeduld van die bonte menigte, die in de heete zomerzon op den kalen Buiten-en Binnenhof geblakerd en geschroeid werd, valt dus wel te verklaren.

Er had daar binnen in het Slot zeker iets plaats gehad.

Wat?

Graaf Jan, wiens opvoeding aan het Hof van den Engelschen Koning Eduard zeer veelte wenschen had overgelaten, was voor de Hollanders zoo goed als een vreemdeling,daarenboven jong, zeer onervaren en geheel tegen de richting van zijn Vader. Een sterkgestel had hij ook niet, en veel moest er hem niet in den weg komen, of hij was boosen onhandelbaar.

Het wegblijven van den Graaf werd door de ongeduldige [5]menigte dan ook aan de meest verschillende redenen toegeschreven.

Doch laat mij u eerst een stukje geschiedenis vertellen.

Den vorigen dag was het juist een jaar geleden, dat Floris V door de wraakzuchtigeEdelen vermoord was geworden.

Dat was een slag geweest voor de Poorters en de Dorpers! Beter Graaf dan „der KeerlenGod” had er nooit geleefd. Altijd even gul en minzaam, ja, en altijd even rechtvaardig,onverschillig of hij een trotsch Baanderheer, een eenvoudig Edelman, een vlijtig Poorter,een nederig Dorper of een arm Lijfeigene voor zich had. Meer dan veertig vrije Poortersen Dorpers had hij tot den Adelstand verheven, omdat ze op de een of andere wijzegetoond hadden, dat ze, waar het de belangen van het Graafschap gold, voor de Edelenniet onderdeden. Zoo iets maakte Floris bij de minderen bemind en geliefd, doch bijde oude Edelen gehaat. Maar Floris stoorde zich hieraan niet en ging zijnsweegs. Intusschenhadden die oude Edelen hun nood geklaagd aan Eduard, Koning van Engeland, die ookal geen vriend van den machtigen Hollandschen Graaf was, niettegenstaande des Gravenzoon Jan verloofd was met Eduards dochter, Elisabeth, en sedert 1287 aan het EngelscheHof verkeerde om daar zijn opvoeding te ontvangen. Dat opvoeden aan het Hof van KoningEduard was misschien wel meer een list dan goede zorg van den Koning geweest; wanteens, dat Floris iets gedaan had, dat niet in het voordeel van Engeland was, lietEduard aan Floris vragen, of deze wel wist, dat hij zijn zoon in zijn macht had. „Welzekerweet ik dat,” antwoordde Floris, „maar dat zal mij niet beletten anders te handelen.Als Graaf van Holland, Zeeland en Westfriesland heb ik ook nog andere plichten tevervullen!”—Dat was mooi geantwoord, niet waar? Maar toch zou Graaf Floris misschienwel anders gesproken hebben, als hij nog niet een voorzoon gehad had van wien hijmeer hield dan van Jan. Deze zoon heette Witte, en diens Moeder was een dochter vanHeer Jan van Heusden. Witte nu was [6]in alles het evenbeeld van zijn Vader, en de Hollanders hielden zielsveel van hem,en waren er grootsch op, dat Graaf Floris hem „Jonker Witte van Holland” liet noemen.Later gaf hij hem de Heerlijkheid Haamstede en van dien tijd af wordt hij meestalWitte van Haamstede genoemd. Dezen Witte nu had Graaf Floris gaarne tot zijn opvolgerin de Graafschappen benoemd, en eens heeft hij er zelfs zeer ernstig over gedacht.Toen Koning Eduard dit vernam, besloot hij wat water in zijn wijn te doen en voorzichtigerte zijn; want hij begreep wel, dat de Hollanders veel liever Witte tot Graaf zoudenwillen hebben, omdat zij hem kenden en beminden, dan Jan, dien ze niet kenden, envan wien ze alleen wisten, dat hij niet sterk en ook niet dapper of verstandig was.In stilte echter stookte Eduard de ontevreden Hollandsche en Zeeuwsche Edelen op,en dit gelukte hem volkomen. Zoover had hij het weten te brengen, dat zij beslotenGraaf Floris heimelijk gevangen te nemen, en toen ze dit beproefden en zulks nietgelukte, was de wreede Gerard van Velsen met nog een paar andere Edelen, slecht genoeg,den Graaf te vermoorden. Die moord was eigenlijk bij ongeluk geschied; ze hadden nietgemeend zoo ver te gaan, en velen, die over Graaf Floris ontevreden waren, haddennu veel spijt, dat de zaak zoo treurig afgeloopen was. Doch gedane zaken nemen geenkeer, en daar de verbonden Edelen wel begrepen, dat ze er slecht zouden afkomen, alsze in handen van het volk vielen, beproefden ze de vlucht te nemen. Velen geluktedit. Zoodra nu Koning Eduard hoorde, dat de zaak zulk een treurig einde genomen had,liet hij zijn schoonzoon Jan voor zich komen en zeide: „Jan, uw Vader heeft zijn roekeloozehandelingen met den dood moeten bekoopen. Sommige Edelen hebben hem per ongeluk moetendooden, inplaats van hem aanvankelijk naar Engeland over te voeren, zooals ons planwas. Thans zijt gij Graaf van Holland, Zeeland en Westfriesland!”

Nu was Jan geen slecht mensch, maar aan het Hof van Koning Eduard had hij zooveelkwaads hooren vertellen van zijn Vader, dien hij nauwelijks meer zou gekend hebben,dat hij op deze droeve tijding niet heel erg ontroerde.[7]

De Koning vervolgde daarom: „Gij zijt nog jong, Jan, en als gij in Holland komt, zullende oude vrienden van uw Vader u trachten wijs te maken, dat gij de moordenaars strengstraffen moet. Een hoop poorters en dorpers, met uw halfbroeder Witte aan het hoofd,zullen den baas over u willen spelen, doch ik raad u ernstig aan: houd dat volkjeop een afstand, anders loopt ge nog gevaar, dat ze u op den eenen of anderen dag wegjagen,om dien Witten Graaf te maken.”

Graaf Jan’s oogen fonkelden. Ja, hij had inderdaad ook wel eens gehoord welke plannenzijn Vader met dien Witte had gehad, en daarom beloofde hij gaarne, dat hij Witteen zijn aanhang zoo min mogelijk aan het Hof dulden zou.

Eduard hoorde dat met welbehagen aan en hernam: „Ik wil u gelooven, mijn zoon, maargij zijt nog zoo jong, en ge kunt u misschien nog laten overhalen om anders te doen,dan wat ge nu van plan zijt. Ik zal u twee trouwe vrienden naar Holland medegeven,en wel de Heeren Reinoud Ferrer en Richard de Havering. Beloof mij nu bij al, watu lief en dierbaar is, dat gij deze twee tot uw raadslieden zult aannemen, en altijddoen wat zij u zeggen, dat het beste is. Bedenk het, mijn zoon, dat mijne lieve dochterElisabeth uw vrouw is!”

Zonder recht na te denken, wat hij deed, beloofde Jan dit, en z kwam de jonge Graafin Holland met een onstandvastig karakter, een haat tegen vele Edellieden, een minachtingvoor Poorters en Dorpers, een trotsche, Engelsche vrouw en twee Engelsche vrienden,die hij blindelings gehoorzaamde.

Was het wonder, dat de Hollanders niet met hem ingenomen waren? Ja, zelfs de oudevijanden van Floris wenschten nu dat „der Keerlen God” nog maar leven mocht! Dochdat wenschen kwam te laat.

Tot hiertoe de geschiedenis, en nu weer ons verhaal.

Wat was er den vorigen dag gebeurd?

Met den verjaardag van den moord op Graaf Floris, was Witte van Haamstede aan hetHof van zijn broeder gekomen, om hem over het verlies zijns Vaders te troosten, [8]en Witte had dit zoo hartelijk gedaan, dat Jan hem uitnoodigde dien nacht op het slotte blijven om dan den volgenden dag aan de drijfjacht deel te nemen. Witte had dieuitnoodiging gaarne gehoor gegeven, doch zie, terwijl de jagers al in den Buitenhofop en neer liepen, was Witte met een verstoord gelaat uit het slot getreden, en hadbevolen van hem en zijn schildknaap terstond de paarden te zadelen. Een kwartier uurslater sloegen ze in gestrekten draf den weg naar Vlaardingen op.

„Begrijp jij er wat van, Lein?” vroeg lange Melis, de pluimgraaf, aan een breedgeschouderdenhondenjongen met zwarte, guitachtige oogen in het hoofd.

Yes, sir, I have er alles van begrepen!” antwoordde deze.

„Och, loop met je mondvol Engelsch naar de Noren, en zeg me liever in het goede Hollandschvan den vromen Melis Stoke, wat je er van weet!” hernam Melis.

„Ja, zoo’n domme gans van een kippenkoning, als jij bent, kan niet verdragen, datik Engelsch spreek. Maar dat neem ik je volstrekt niet kwalijk. Je kippen, eendenen varkens zijn allemaal hier uit Holland en verstaan alleen Hollandsch; maar mijnhonden zijn niet hier vandaan; de een is uit Wales, de ander uit Engeland en een derdeweer uit Schotland, zoodat ze geen stom spreekje Hollandsch verstaan, en ik wel Engelschspreken moet, omdat …”

Pats! daar kreeg Lein een draai om zijn ooren, dat hij heelemaal achterstevoren keerde,en vlak voor een Engelschen paardenknecht van Sir Richard de Havering kwam te staan.

You had better work, sluggard!” („Je zoudt beter doen, als je werkte, luiwammes!”) zei de Engelschman.

„Yes, sir, I, I,… shall … I, I …”

What, I!” bromde de man, en, „flap!” daar had Lein er op het andere oor ook een beet.

Nauwelijks was de Engelschman weg, of Melis kwam lachend uit zijn hoekje en zei: „Have you had een paar opstoppers? Wat is „opstopper” in het Engelsch, zeg, Lein?”

„Ik wilde wel, dat jij er ook zoo’n paar gekregen hadt,” [9]bromde Lein. „Het is eigenlijk alleen jouw schuld: jij hield me immers aan den praat!”

„Dat

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 13
Comments (0)
Free online library ideabooks.net