» » De kleine Zwerveling

De kleine Zwerveling

De kleine Zwerveling
Category:
Title: De kleine Zwerveling
Release Date: 2018-12-17
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 27 March 2019
Count views: 59
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
Cover
[Illustratie: De kleine Zwerveling
door D.P. Plaatsman
(kaft)]




02_frontispiece.jpg
[Illustratie: frontispiece]




DE KLEINE ZWERVELING.





ZESTIG CENTS-BIBLIOTHEEK.

LECTUUR VOOR JONGENS EN MEISJES

ONDER REDACTIE VAN

TITIA VAN DER TUUK.






DE KLEINE

ZWERVELING



DOOR


D. P. PLAATSMAN.


GELLUSTREERD DOOR

J. A. S. Z. D. K.




DEVENTER — Æ. E. KLUWER.




INHOUD.

   Bladz.
HOOFDSTUKI.  Een gewichtig besluit.5
"II.  De landverhuizers.18
"III.  Op den Oceaan.31
"IV.  Gescheiden.46
"V.  Het gevonden spoor.58
"VI.  Een geluk bij een ongeluk.69
"VII.  Bij vader en moeder terug.84




ILLUSTRATIES.

  Bladz.
frontispiece  
Het bleek, dat het kind rustig bleef doorslapen. 50
Zijn hand gleed over iets nats, dat op den grond lag uitgestrekt. 81
Hij legde het papier dat hij in den bek hield opKeetjes schoot. 97




EERSTE HOOFDSTUK.


Een gewichtig besluit.

Eierland, dat tegenwoordig een goed bebouwde en sterk bevolktepolder is, en met Texel n geheel uitmaakt, was vroeger eenafzonderlijk en bijna onbewoond eiland.

Als ik zeg "onbewoond", dan bedoel ik daarmee echter alleen doormenschen, want vogels — vooral watervogels — huisden er in zulkeen ontzaglijke menigte, dat men volgens oude schrijvers in hetvoorjaar bijna geen voet kon verzetten, zonder een twee- of drietalnesten met eieren onder zijn bereik te hebben. De naam Eierlandwordt daaruit van zelf verklaard.

Het recht, om die eieren te zoeken, behoorde destijds aan den"Kastelein" van het Eierlandsche huis, die daarvoor, benevens voorhet beweiden van het Eierland met schapen en runderen, eenjaarlijksche pachtsom aan het Rijk betaalde; want het geheeleEierland was toen landseigendom of domeingrond.

Ook het Eierlandsche huis, bijna de eenige woning, welke er tevinden was, en die reeds van het jaar 1650 dagteekent, was eenrijksgebouw. Op het noordelijkste deel van Eierland, aan denbinnenkant der duinen in een vallei gelegen, diende hethoofdzakelijk tot onderhouding van de postgemeenschap met Vlieland;maar het had toch ook nog een andere bestemming.

Voor den ingang van het Eierlandsche gat liggen namelijk, evenalsvoor dien van de meeste onzer zeegaten, gevaarlijke zandbanken.Hoeveel schepen hier in den loop des tijds wel gestrand zijn, iszelfs niet bij benadering op te geven, en ontzettend groot is hetaantal schipbreukelingen, dat op deze verraderlijke kust zijn grafin de golven gevonden heeft!

De noordelijkste uithoek van Eierland, welke sterk vooruitspringt,draagt dan ook met recht den naam van "het Engelsche Kerkhof",wegens de vele drenkelingen, die er begraven zijn.

Zij, die echter den dood ontkwamen, vonden in het Eierlandsche huissteeds een beschermend dak, waar zij liefdevol werden opgenomen enverpleegd.

Het groot aantal schipbreuken in de Eierlandsche gronden wasoorzaak, dat eindelijk op een der hoogste duintoppen een vuurtorenwerd geplaatst, waarvan het vrschijnende en draaiende licht reedsop mijlen afstands in zee de plaats aanwijst, waar gevaar dreigt.

Ten gevolge daarvan geraakt tegenwoordig niet dan bij uitzonderingeen schip op deze gevaarlijke stranden verzeild. Gelukkig, nietwaar?

"Gelukkig!" zeggen ook de bewoners van het meer zuidelijk gelegendorpje De Cocksdorp, niettegenstaande zij met het wegblijven derschepen een goed deel van hun bestaan zagen verdwijnen.

De Cocksdorp, aldus genoemd naar den Rotterdamschen koopman De Cock,die in het jaar 1835 met enkele andere heeren de bedijking vanEierland tot stand bracht, ligt een weinig benoorden de zoogenaamdeRoggesloot, een der talrijke kreekjes, die aan den duinvoetontspringen en den polder in oostelijke richting doorstroomen.

Het bergen van de lading der gestrande schepen bezorgde den DeCocksdorpers soms belangrijke voordeelen. Voor het overigeverdienden zij grootendeels hun brood met de schelpenvisscherij opde nabijgelegen zandbanken.

Ook het laatste bedrijf werd echter van jaar tot jaar minder, en hetweleer bloeiende plaatsje is tengevolge van dat alles zeerachteruitgegaan, zoodat het tegenwoordig niet meer dan ongeveer dehelft van het vroegere aantal bewoners telt.

Vele van de voormalige ingezetenen hebben niet alleen het dorpje enhet eiland, maar ook het land zelf verlaten en in het verre Amerikaeen nieuw vaderland en een nieuw bestaan gezocht.

Ook Jan Vroolijk, door zijn dorpsgenooten in den regel "VroolijkeJan" genoemd, omdat hij als jongen zulk een vroolijke snuiter was ensoms zoo aardig uit zijn huisje kon schieten, dacht er sterk over,met de zijnen den wijden oceaan over te steken.

Vroeger had hij er nooit van willen weten, hoe schoon de berichtenook luidden, welke sommige zijner familieleden, die de groote reisreeds achter den rug hadden, van tijd tot tijd overzonden; steedshad hij gezegd:

"Zoolang ik in het vaderland voor vrouw en kinderen den kost weet teverdienen, blijf ik waar ik ben."

Tot zijn vrouw, die er ook zeer tegen opzag om zulk een grootezeereis te doen, was zijn gewone zeggen altijd:

"'k Zeg maar altijd, lieve Keetje!
Wat je hebt, mijn kind, dat weet je,
Wat je krijgt, dat weet je niet!"

Nu, zij hadden het dan ook, vooral in den beginne, nog al zoo kwaadniet gehad. Maar de omstandigheden waren, in den laatsten tijdvooral, vrij wat en alles behalve in hun voordeel, veranderd.

Jan Vroolijk was schelpenvisscher. Acht jaar geleden — hij telde nudertig jaar — was hij met Keetje, een meisje van het dorp en vanzijn leeftijd, getrouwd. Drie kinderen hadden ze in dien tijd gehad.De twee oudsten, beiden meisjes, waren echter al heel jonggestorven. Alleen 't jongste, een allerliefst knaapje, was hunovergebleven. De kleine krullebol was nu ruim drie jaar, en vader enmoeder waren, zooals licht te begrijpen is, allebei even gek met hunventje. Moeder noemde hem geregeld haar oogappel, en als hij maareven klaagde, was de goede vrouw al beangst. Dan dacht zij dadelijkaan haar beide gestorven lievelingen en bekroop haar de vrees, datzij ook haar Willem — zoo heette het ventje — wel eens zou kunnenverliezen. De jongen groeide evenwel als kool en had een kleur alseen roos. Op en top zijn vader! Als deze thuis was, stond het huisgeregeld op stelten. Geen wonder, dat de kleine dreumes 's avonds,als Jan Vroolijk met zijn schuit uit zee terugkwam, al op denuitkijk stond.

Ook nu stond hij weer te turen naar de naderende vaartuigjes, enspoedig hadden zijn heldere kijkers den man, naar wien hij zocht, in't oog gekregen.

"Dag! dag!" riep de kleine broekeman, en hij zwaaide als naargewoonte met zijn mutsje zijn vadertje het welkom toe.

Zag vader hem niet, dat zijn groet dezen keer niet beantwoord werd?

"Dag! dag!" riep de kleine nog al eens en nog eens weer; maar JanVroolijk scheen zijn jongen niet te bemerken of over 't hoofd tezien.

Neen, toch! daar zwaaide ook hij met zijn pet, en over zijn gelaat,dat er, zooals in de laatste dagen wel meer gebeurde, zeer ernstiguitzag, kwam een gelukkige glimlach bij het terugzien van zijnlieveling. 't Volgende oogenblik stond zijn gelaat echter weer netzoo strak als even te voren.

Wat was er dan gebeurd, dat Vroolijke Jan zoo uit zijn humeur hadgebracht?

"Zoolang ik in het vaderland voor vrouw en kind den kost kan winnen,blijf ik waar ik ben," had hij altijd gezegd. In den laatsten tijdscheen het echter, alsof hem dit met den besten wil en de grootstekrachtsinspanning niet langer mogelijk zou zijn. Sinds het voorjaarwas het met de schelpenvisscherij van week tot week achteruitgegaan,en van daag was 't hem dan al bijzonder tegengeloopen! De schelpenwaren bij den jongsten storm geheel onder het zand bedolven geraakt,en waar hij vroeger met het grootste gemak een rijke lading wist opte visschen, gelukte het hem nu slechts met de grootste moeite enden meesten ijver, een zeer mager vrachtje aan wal te brengen.

Daar kwam nog meer onheil bij, waardoor zijn gemoedsstemming er ookal niet op verbeterde. Tusschen de schuitjes der visscherliedenbewoog zich nu ook een stoomschip, dat van een stoomschelpenzuigervoorzien was. Daarmede werden de schelpen tot op een diepte van 10 20 voet uit den zeebodem losgewoeld en naar boven gebracht, omvervolgens, gewasschen en wel, in een op zijde liggend vaartuigovergestort te worden. Het eene schip na het andere werd op dezewijze soms in enkele uren met een volle lading bevracht. Dit hadnatuurlijk weer een ongunstigen invloed op den prijs der schelpen,waarvan in de kalkovens de metselkalk gebrand wordt en zoo kwam dushet eene ongeluk bij het andere.

Geen wonder waarlijk, dat Jan Vroolijk alles behalve prettig gestemdwas.

Terwijl hij daar aan het roer zat en zijn schuitje landwaartsstuurde, was hij er in ernst over begonnen na te denken, of het tochmaar niet beter zou zijn, bij tijds dit sober bestaantje op te gevenen iets anders te beginnen, waarmee een beter loon te verdienenviel.

Maar wat zou hij aanvangen?

Hij was een uitstekend schipper en had een paar ferme handen aan hetlijf; maar een ambacht verstond hij niet.

Onwillekeurig dwaalden zijn gedachten zoodoende af naar het verreWesten, waarheen reeds zoo vele zijner vroegere dorpsgenooten hemwaren voorgegaan.

"Voor iemand, die werken kan en wil, is hier altijd geld teverdienen," schreef men steeds uit de nieuwe wereld. Nu, werkenwilde en kon hij zoo goed als de beste, als het slechts brood gaf!Zooals de zaken nu stonden, ging hij echter van week tot weekachteruit.

Aldus in zich zelf redeneerende, kwam hij eindelijk tot de slotsom,dat het beste was, er thuis eens ernstig met moeder de vrouw over tespreken, wat hun in deze omstandigheden te doen stond. Z kon hetin allen gevalle niet blijven, dat stond als een paal boven water.

Aan wal gekomen, nam hij, zooals hij altijd gewoon was, zijn zoontjeop den arm, om zich met hem naar huis te begeven. Maar hoe druk dietwee het anders gewoonlijk ook hadden, dezen keer sprak Jan Vroolijkal bijzonder weinig, en ook Willempje scheen, onder den indruk vanvaders ongewoon gezicht en weinige spraakzaamheid, van den weerstuithet babbelen en snappen geheel verleerd te hebben.

Moeder, die haar kleintje geen oogenblik uit het oog verloren had,stond hen reeds aan de deur op te wachten. Ook haar viel hetdadelijk in het oog, dat Jan niet was zooals anders. Bezorgd liep zehem tegemoet, om te vragen of hem ook iets scheelde. "We hebben eenbrief van oom Willem uit Amerika!" riep ze er in n adem bij."Alles gezond volk, hoor!"

"Een brief van oom Willem!" En dat juist nu! 't Kon waarlijk nietbeter treffen! De gelegenheid om met zijn vrouw te spreken over 'tgeen hem door 't hoofd maalde, bood zich nu als van zelf aan; wantom de waarheid te zeggen, zag hij daar wel een beetje tegen op. Zijngelaat klaarde dan ook vrij wat op, nu zulk een onverwachtebondgenoot hem als 't ware te hulp kwam. Oom Willem zou toch, evenals altijd, wel weer heel veel moois te vertellen hebben.

"En wat schrijft hij?" vroeg Jan onder het naar binnen gaan, terwijlmoeder den kleinen Willem van hem overnam.

"Zeg mij liever eerst eens, wat er aan hapert," antwoordde zijnvrouw. "Je bent zoo stil...."

"'t Is ook wel, om er stil onder te worden," viel Jan haar in derede. "Er valt langer geen droog brood te verdienen. De schelpenzitten meest allemaal onder 't zand, en die er nog zijn, worden onsdoor die verwenschte machine voor den neus weggepikt! Als 't langerzoo moet, kunnen we onze matten wel oprollen, vrouwtje! Wist ik maarwat anders te bedenken, dan zette ik geen voet meer aan boord; wantmijn zin is er glad af."

"Nu, lees dan maar eens wat oom Willem schrijft," zeide zijn vrouw,terwijl zij een dikken brief, met verscheidene poststempels er op,uit de kast te voorschijn haalde, en hem haar man overreikte.

Jan greep begeerig naar den brief en een oogenblik daarna was hijgeheel in de lezing er van verdiept.

Wat oom Willem schreef?

Dit o.a.:

"We zijn nu ongeveer vier jaar

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
Comments (0)
Free online library ideabooks.net