» » De Twee Broeders_ Een Kennemer Legende uit de jaren 1420-1436

De Twee Broeders_ Een Kennemer Legende uit de jaren 1420-1436

De Twee Broeders_ Een Kennemer Legende uit de jaren 1420-1436
Category:
Title: De Twee Broeders_ Een Kennemer Legende uit de jaren 1420-1436
Release Date: 2018-12-22
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 27 March 2019
Count views: 84
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 14
[Inhoud]

„Geen praatjes, vriendje!” voerde de hoofdman hem gebiedend toe.

„Geen praatjes, vriendje!” voerde de hoofdman hem gebiedend toe.

(Bladz. 10.)

Ons Genoegen
Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.
Serie A Jongensboeken Deel 3.
De Twee Broeders
Een Kennemer Legende
uit de jaren 1420–1436
Derde Druk.
ALKMAAR—GEBR. KLUITMAN.

[Inhoud]

Gebr. Kluitman’s Boek- en Kunstdrukkerij, Alkmaar.[5]

[Inhoud]
Eerste Hoofdstuk.

Eerste Hoofdstuk.

Het Sterfbed.

Het was laat in den herfst van het jaar 1420. De zon was reeds lang ondergegaan, zonderzich den geheelen dag ook maar een enkel oogenblik te hebben vertoond. Zij had zichschuil gehouden achter dichte wolken, die door den feilen najaarswind langs het zwerkwerden voortgejaagd, en onophoudelijk haar inhoud, afwisselend uit hagelsteenen enregendroppels bestaande, op het aardrijk nederstortten. De straten van de goede stadHaarlem,—want het is daar, dat ons verhaal een aanvang neemt,—welke in die dagen nogniet met steenen bevloerd waren, konden onmogelijk al het gevallen water opeens verzwelgen,en waren in [6]modderpoelen veranderd, terwijl het water zich op de lagere plaatsen verzameld ener diepe plassen gevormd had. De gure herfstwind gierde over de daken en bulderdein de schoorsteenen. De hagelsteenen kletterden tegen de ruiten en deden ze in haarlooden lijsten rammelen.

’t Was zeer donker buiten, want van straatverlichting was toen nog geen sprake, ener was bijna niemand buitenshuis; anders zou er althans eenige verlichting geweestzijn, daar na zonsondergang zich niemand zonder brandende lantaarn buiten mocht bevinden.Er was geen levend wezen te zien, trouwens, het was dan ook al te laat in den avondom zonder gewichtige reden het knapperend haardvuur te verlaten, tenzij dan om naarbed te gaan. Af en toe kwam nu evenwel het maantje door de wolken breken en liet eendroefgeestig licht vallen op de sombere daken en de getrapte voorgeveltjes, en spiegeldezich een oogenblik in de plassen, die de straten bijna onbegaanbaar maakten. Van lieverledewerden de verlichte bovenramen kleiner in getal, daar de bewoners zich ter ruste begaven,en eindelijk was de geheele stad in duisternis gehuld.[7]

’t Was nacht geworden. De straten waren doodsch en stil. Alleen de torenwachter waakten overziet de stad, of niet iemand roekeloos met het vuur had omgegaan en brand hadveroorzaakt. Doch alles is in orde en van uur tot uur doet hij zijn trompetgeschalhooren, dat echter in het loeien van den wind verloren gaat.

Toch sliep nog niet iedereen.

Daar werd een deur geopend en haastig trad iemand naar buiten. De duisternis scheenhij niet te vreezen, want zonder een oogenblik aarzelens spoedde hij zich, na de deurachter zich gesloten te hebben, de stad in. Haastig en gejaagd ging hij voort, zonderer in het minst op te letten, waar hij liep. Het water spatte onder zijn schredenomhoog, doch hij scheen het niet op te merken. Met gebogen hoofd vervolgde hij zijnnachtelijken tocht, de handen krampachtig samengeknepen en met tranen in de oogen.Telkens verhaastte hij zijn schreden, alsof hij vreesde te laat te zullen komen. Deslippen van zijn korten mantel werden door den wind omhooggeslagen en de modder vande straat bezoedelde zijn fijne hozen, doch hij let nergens op.[8]

Plotseling klinken hem voetstappen in de ooren, krachtige, gelijkmatige voetstappen,als van krijgslieden. ’t Zijn de dienaren van den Schout, die de nachtelijke rondedoen, en plotseling schiet het hem te binnen, dat hij vergeten heeft zich van eenlantaarn te voorzien. Dat voorspelt hem moeielijkheden, altoos onaangenaam, doch nudubbel, want hij heeft immers haast. De dood kan er mede gemoeid zijn.

IJlings trekt hij zich terug in een donkeren hoek, tegen de deur van een woning. Wellichtzal hij hier niet opgemerkt worden en zullen de dienaren hem voorbijloopen. Reedszijn ze hem genaderd en weldra zal hij zijn reis kunnen vervolgen. Doch juist op datoogenblik breekt de maan door de wolken en doet haar volle licht op zijn schuilhoekvallen.

Wij zien thans dat deze late wandelaar een jongeling is van hoogstens zestienjarigenleeftijd. En hij moet van goede familie zijn, dat bewijst de fijnheid van zijn kleeding.De korte mantel, die met een gouden haak om den hals bevestigd is, en zijn nauwsluitendwambuis zijn van kostbaar laken, fijne hozen bedekken zijn gespierde beenen en devoeten zijn in lange, [9]gepunte schoenen gestoken. Hij heeft een innemend gelaat, dat nu evenwel angst endroefheid teekent. Zijn hoofd is bedekt met een kleine muts, welke zijn blonde krullenvolkomen vrijheid laat om hem langs hals en schouders te zwieren. Waarlijk, zoowelzijn kostbare kleeding als zijn fiere houding bewijzen duidelijk dat hij, zoo nietvan adellijken huizinge, dan toch zeker eens rijken poorters zoon moet zijn, en ditlaatste vermoeden is waarheid, zooals gij weldra uit zijn eigen mond zult vernemen.Want zijn schuilplaats, hoe goed ook gekozen, is door het verraderlijk maantje plotselingin het volle licht gekomen, en de dienaren moesten wel blind geweest zijn, indienzij hem thans niet opgemerkt hadden.

„Hallo, mannen, wacht een oogenblik!” klinkt het op bevelenden toon uit den mond vanden bevelhebber. Daar staat iemand op verdachte wijze tegen een deur geleund, en zeker voert hij daarniet veel goeds in zijn schild. Past op dat hij niet door een vlugge beweging ontsnapt,en brengt hem hier!”

Nauwelijks waren deze woorden uitgesproken, of de mannen verdeelden zich in twee [10]groepen, ten einde een ontvluchting onmogelijk te maken, en naderden nu in schuinerichting en van twee kanten den jongeling, die blijkbaar geen kans zag aan de handender dienaren te ontkomen. Hij deed althans in het geheel geen poging om te ontsnappen,maar liep regelrecht op den aanvoerder toe.

„Ach, heer,” sprak hij beleefd, bijna smeekend, ik bid u, houd mij niet op. Ik ben ….”

„Geen praatjes, vriendje!” voerde de hoofdman hem gebiedend toe. „Wat moet je daarbij die deur doen, en waarom tracht je je zoo geheimzinnig te verschuilen? Hallo,spreek de waarheid en zoek me geen praatjes op de mouw te spelden, of je zit in minderdan geen tijd onder ’s Graven toren. Hoe heet je en waarom voldoe je niet aan hetbevel van de overheid, door een lantaarn bij je te voeren?”

De spraakzame hoofdman vroeg zooveel, dat de jongeling een oogenblik weifelde, welkevraag hij het eerst beantwoorden zou. Maar de bevelhebber was niet alleen zeer woordenrijk,hij was ook erg driftig, en toen hij niet spoedig genoeg antwoord ontving, riep hijluid:

„Grijpt hem, mannen, en voert hem mede. [11]Ik heb waarlijk geen tijd om hier het oogenblik af te wachten waarop het dezen schobbejakzal behagen, mij antwoord te geven. Brengt hem onder den toren, wellicht is hij danmorgen vlugger ter taal.”

Met groote snelheid werd de jongeling omsingeld en aangegrepen, doch hij rukte zichlos en wendde zich tot den bevelhebber.

„Vergeef mij, heer,” sprak hij op waardigen toon,—„vergeef mij, dat ik u niet op aluw vragen tegelijk kan antwoorden, doch ik beloof u, dat ik u voldoende inlichtingenzal geven, en dan verzoek ik u, mij geen oogenblik langer op te houden, dan hoog noodigis. Mijn naam is Nanning Baerthoutszoon, en ik ben op weg naar …”

„Wat!” riep de hoofdman verrast uit. „Nanning, de zoon van Schepen Baerthout Nannings?Vergeef mij dat ik u niet eerder herkend heb, dan zou ik u waarlijk niet op deze wijzebehandeld hebben. Doch wat kan de reden zijn, die u nog zoo laat op de straat voert,en waarom hebt gij niet voldaan aan den last van de regeering, die gestrengelijk heeftvoorgeschreven, dat na zonsondergang ….”[12]

„Ik weet het, heer!” viel de jongeling, die als op gloeiende ijzers stond, den woordenrijkenhopman in de reden. „Doch laat mij u zeggen, dat mijn vader hedenavond plotselinghevig ongesteld is geworden. Op het eene oogenblik was hij gezond en frisch, en eenoogenblik later lag hij als dood voor onze voeten. Is het mij kwalijk te duiden, datik in de haast vergat een lantaarn mede te nemen, toen ik mij wegspoedde, om den meesterte halen? Zoo ja, de vereischte boete zal worden voldaan; gij weet thans, wie ik benen waarheen mijn weg voert. Doch ik bid u, houd mij niet langer op. Elk oogenblikvertragens kan den dood van mijn lieven vader ten gevolge hebben!”

„Gij kunt vrij gaan, Nanning Baerthoutsz.!” klonk het op meewarigen toon den jongelingtoe. „God geve den waardigen Schepen een spoedige beterschap. Indien gij wilt, zaleen mijner dienaren den meester van het gebeurde verwittigen, dan kunt gij naar uwewoning terugkeeren.”

„Heb dank, heer! Ik zal liever zelf gaan. Meester Gerrit Heinsz. woont niet ver vanhier en dan kan ik zelf hem ontbieden. Hebt mijn groet samen!”[13]

Met groote schreden vervolgt de jongeling, wiens naam wij thans kennen, zijn weg,en weldra heeft hij de woning van den chirurgijn bereikt. Met een doffen slag laathij den klopper op de deur vallen, en in spanning wacht hij het oogenblik af, datdeze geopend zal worden. Zijn geduld wordt evenwel op een zware proef gesteld, wantde meester barbier-chirurgijn laat niets van zich hooren. De deur blijft geslotenen geen enkel teeken van leven dringt van uit de woning tot hem door.

Nogmaals heft hij den klopper op, en tot driemalen toe laat hij hem met een zwarendreun op de deur nedervallen. Daarna loopt hij met gejaagde schreden voor het huisheen en weder.

Ha, daar hoort hij gestommel. Nu worden de grendels weggeschoven en eindelijk gaatde deur langzaam open. Tot zijn groote teleurstelling is het echter niet de wijzemeester zelf die thans met een lantaarn in de hand voor hem verschijnt; ’t is dienshuisvrouw, die hem vraagt:

„Wie is daar?”

„Nanning, de zoon van Schepen Baerthout. Mijn vader is plotseling hevig ongesteldgeworden, [14]waarschijnlijk door een beroerte getroffen, en daarom verzoek ik, of de meester tenspoedigste wil komen. Wij vreezen dat vader sterven zal. Wil u …”

„Meester Gerrit is niet thuis, Nanning. Hij is uitgehaald, maar zoodra hij terugkeert,zal ik hem zeggen, dat gij hier geweest zijt. Och, och, is de brave Schepen door eenberoerte getroffen? Wel, wel, wat is dat treurig. Ik beloof u, dat ik hem tot grootenspoed zal aansporen, hoewel ik moet zeggen, dat dit wel niet noodig zal zijn, wantmeester Gerrit is ten allen tijde bereid om zijn plicht te doen. En voorzeker zalhij zich haasten, nu het den braven Schepen Baerthout geldt, wie hij zulk een hoogeachting toedraagt.”

„Heb dank, Vrouw!” sprak de jongeling. „Zou de meester nog lang uitblijven?”

„Waarschijnlijk niet. Binnen een kwartier is hij stellig wel terug, doch gij behoeftniet op hem te wachten. Ik sta er u borg voor, dat hij zich dadelijk op weg zal begeven.”

„Goed. Zoo wensch ik u wel te rusten!”

„Het beste met uw vader!”

Nanning haastte zich thans de ouderlijke [15]woning weer te bereiken. Ach, welke droevige gedachten vervulden zijn ziel. Hoe kort,slechts twee jaren was het geleden, dat hij zijn lieve moeder verloren had, de edelevrouw, die zoozeer door allen was bemind. Welke heete tranen waren toen geschreiddoor zijn vader, wien het leven zonder haar bijna een last was geworden, en door zijnouderen broeder Geraert, die thans in angst en vreeze waakte bij het ziekbed van hunvader, en door hemzelven, die toen nog pas veertien jaren oud was en zijn moeder nogzoo slecht missen kon. Ach, wat hadden zij elkander innig liefgehad, en hoe wreedhad de dood toen de teederste banden met ruwe hand verscheurd! En zou hij nu ook nogzijn braven, edelen vader moeten verliezen? Zouden hij en Geraert nu niets op de wereldoverhouden om lief te hebben dan slechts elkander?

„Neen, neen, goede Hemelvader, dat niet,—ach, dat niet!” snikt de arme jongen, terwijlgroote tranen zijne oogen vullen en de keel hem van droefheid als toegeknepen wordt.„Ach Heer, laat ons geen

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ... 14
Comments (0)
Free online library ideabooks.net