» » » De Pleiters

De Pleiters

De Pleiters
Category: Drama
Author: Racine Jean
Title: De Pleiters
Release Date: 2006-05-18
Type book: Text
Copyright Status: Public domain in the USA.
Date added: 25 March 2019
Count views: 23
Read book
1 2 3 4 5 6 7 8
Een aantal typografische fouten is gecorrigeerd. Ze zijn metpopupsaangegeven.
A few typographical errors have been corrected. They are shown in thetext with popups.

DE

PLEITERS,

BLYSPEL.

Uit het Fransch van den Heer RACINE.

Proficit et Recreat

t’AMSTELDAM,
By d’Erven van Albert Magnus,op de
Nieuwendyk, in den Atlas, 1695.
Met Privilegie.


#bild

DEN HEERE

DAVID vander PLASS,

KONSTIG BEELD.

EN

PORTRET SCHILDER.

Myn Nimf, die meer als eensgelukkig was,
Dat ze u vernoegde als zy haar Dichten las,
Verstout zich om, ô waarde vander Plass!
U dus te groeten.
’t Mishaage u niet, dat zy, om zulk een eer
t’Erkennen, u haar Pleiters wyd, myn Heer,
En nevens die, haar hart demoedig neêr
Leit aan uw voeten.
De Schilderkonst, die zy waardeert en acht,
En nu weêr in haar eerste staat gebracht,
Heeft op haar ziel een onbepaalde macht
Door haar vermoogen.
#
En die, myn Heer, vliegt met de Poëzy
Haar Zúster, zelf d’onsterflykheid voorbij,
En twisten nooit om d’opperheerschappy
Met brandende oogen.
Te meer als zy, gelyk myn Nimf beschoud,
In diamant, en eeuwig duurzaam goud
Haar lof graveert, en op de gronden boud
Van groote lichten.
Ja uw penzeel, die zelf d’aloudheid tart,
En Aristiid doorluchtig steekt naar ’t hart,
Van schaduwen beneepen noch benart,
Weet van geen zwichten.
Zy, eer gewoon de Helden, trots van moed,
Te volgen door een zee van dierbaar bloed,
Daar d’eene op ’t hart van d’andre stoot en woed
Om d’oorlogszegen:
Of edeler, en van een grootzer aard,
Den vyand uit medoogen red en spaard,
Het Heldenbloed in d’aderen bewaard,
En haat den degen,
Volgt nu een trant die ’t doffe hart verheugd,
De rouw verkeert in uitgelaate vreugd;
Doch die niet wykt van ’t waare spoor der deugd,
Noch van de reden.
Zy volgt de pen van Aristophanes,
Die ’t bloedig spoor der groote Euripides,
Noch die de trant der wyze Sophocles
Niet na wou treeden.
Terentius heeft nooit zo zoet geboert
Menander heeft nooit op ’t Tooneel gevoerd
Een stuk, dat zo de harten heeft geroert
Om luit te schateren:
Noch Plautus heeft met Warnaar met den Pot,
Al lachchende de feilen zo bespot
Als hy: geen Spel had zulk een heerlyk lot
Noch deed zo klaateren.
#
En wy, myn Heer, wy waaren noch berooft
Van zulk een schat, indien dat Dichtren hooft
RACINE, die gelyk een zon verdooft
Alle andre lichten,
De laafte hand niet had aan ’t werk geleid,
De Griekse lof door zyn verstand verbreid,
En Dichters naam gewyd d’onsterflykheid
Door zyn gedichten.
Zy volgt van ver die groote baak in zee,
En zoekt by u een lieve en stille ree.
Dit wenschtze alleen, dit is alleen haar bee
Na zo veel vlagen.
Ontfangt ze dan met die genegentheid,
Als zy dit Spel aan uwe voeten leit,
En zie of een die zo bekoorlyk pleit
U kan behagen.

Abraham Bógaert.

#

Copie van de Privilegie.

DeStaten van Holland ende Westvriesland, doen te weten. Also Ons vertoontis by de tegenwoordige Regenten van de Schouwburgh tot Amsterdam. Dat sySupplianten sedert eenige jaren herwaerts met hunne goede vrinden haddengemackt en ten Tooneel gevoert verscheiden Wercken, soo van Treurspelen,Blyspelen als Kluchten, welcke sy lieden nu geerne met den druck gemeenwilden maecken, doch gemerkt dat dese wercken door het nadrucken vananderen, veel van haer luyster, soo in Tael als Spelkonst souden komente verliesen, ende alsoo sy Supplianten hen berooft souden sien van hunbysonder oogwit om de Nederduytsche Tael en de Dichtkonst voort tesetten soo vonden sy hen genootsaekt, om daer inne te voorsien, ende hente keeren tot Ons, onderdanigh versoeckende, dat wy omme redenen voorsz.de Supplianten geliefden te verlenen Octroy ofte Privilegie, omme allehunne wercken reets gemaeckt ende noch in ’t licht te brengen, den tytvan vyftien jaren alleen te mogen drucken en verkopen of doen drucken enverkopen, met verbot van alle anderen op seeckere hooge peene daer toeby Ons te stellen ende voor’s in communi forma. Soo is ’t, dat Wy, deZake en ’t Versoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wesendeter bede van de Supplianten, uyt Onse rechte wetenschap, SouveraineMacht ende authoriteyt deselve Supplianten geconsenteert, geaccordeertende geoctroyeert hebben, consenteren, accorderen ende octroyeren mitsdesen, dat sy geduurende den tyt van vyftien eerst achtereenvolgendejaren de voorsz. werken die reeds gedrukt zyn, ende die van tyt tot tytdoor haer gemaect ende in ’t ligt gebragt sullen werden, Binnen denvoorsz. Onsen Lande alleen sullen mogen drukken, doen drukken, uytgevenen verkopen. Verbiedende daerom allen ende eenen yegelyken de selvewerken naer te drukken ofte elders naer gedruckt binnen de selve OnsenLande te brengen, uyt te geven ofte te verkopen, op de verbeurte vanalle de naargedrukte in gebrachte ofte verkogte Exemplaren, ende eenboete van drie hondert guldens daer en boven te verbeuren, te applicereneen derde part voor den Officier die de calange doen sal, een derde-partvoor den Armen der plaetse daer het casus voorvallen sal, ende hetresterende derde part voor de Supplianten. Alles in dien verstande, datWy de Supplianten met desen Onsen Octroye alleen willende gratificerentot verhoedinge van hare schade door het nadrucken van de voorsz.werken, daer door in geenige deele verstaan, den Inhoude van dien teAuthoriseren, ofte te avouëren, ende veel min de selve onder Onseprotectie ende bescherminge eenig meerde credit, aansien ofte reputatiete geven, nemaer de Suppliante, in cas daar in yets onbehoorlijkx soudemogen influëren, alle het selve tot haren laste sullen gehouden wesen teverantwoorden, tot dien eynde wel expresselijk begerende, dat by aldiensy desen Onsen Octroye voor de selve Werken sullen willen stellen, daervan gene geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie sullen mogen maken;nemaer gehouden sullen wesen, het selve Octroy in’t geheel#ende sonder eenige Omissie daar voor te drukken ofte te doen drucken;ende dat sy gehouden sullen zyn een Exempelaer van alle de voorsz.werken, gebonden ende wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheecqvan Onse Universiteyt tot Leyden, ende daer van behoorlyk te doenblyken. Alles op pœne van het effect van dien te verliesen. Ende teneynde de Suppliante desen Onsen consente Octroye mogen genieten als naarbehooren: Lasten wy allen ende eenen yegelyken die ’t aengaen mach, datsy de Suppliante van den inhoude van desen doen, laten en gedogen,rustelyk, en volkomentlyk genieten en cesserende alle beletten tercontrarie. Gedaan in den Hage onder Onsen Grooten Zegele hier aan doenhangen, den XIX September in ’t Jaeronses Heeren en Zaligmakers duysent ses hondert vier en tachtig.

G. FAGEL:
Ter Ordonnantie van de Staten
SIMON vanBEAUMONT

De tegenwoordige Regenten van deSchouwburg, hebben het recht derbovenstaande Privilegie, voor hetBlyspel van DE PLEITERS, vergund aan de Erfgenaamen vanAlbert Magnus.

Den 28 van Maart, 1695.

#

VERTOONERS.

Dandyn, een Rechter.

Leander, Zoon van Dandyn, Minnaarvan Izabel.

Jeronimo, een oud Burger.

Izabel, Dochter van Jeronimo.

De Gravin van Narrestyn, &c. &c.

WouterSecretaris

van Dandyn.

Oratyn, Portier

Volkert.

’t Tooneel is te Parys,voor en in ’t huis van Dandyn.

1A

DE PLEITERS,

BLYSPEL.


Oratyn, een groote zak met Processen metzich sleepende.
Ja;’k zeg als noch, het is een zot die hem vertrouwt
Op dingen die hy hoopt, en niet met ’t oog beschouwt,
En, als een Ezel hem by d’ooren om laat leijen;
Want een die heden lacht, zal morgen zeker schreijen.
Een jaar geleên, liet van Gaskonje my van daan
Een Rechter komen, en nam my voor Switzer aan.
De kaale Fransjes, ha! die Jonkers zonder veeren,
Die dachten my toen met hun snoeven wat te scheeren;
Maar schoon Gaskonjer, ’k ben een krygsman in myn bloed;
’k Snoef meê van houwen, en van kerven, als verwoed.
Bloed! al die snoeshaans met hun a la mode kleeren,
Die kwamen my terstond hun dienst toen offereeren,
’t Was al Heer Oratyn uw dienaar. ’k Lach me slap!
Maar zonder geld lach ik met zulk een Ridderschap.
’k Kon voor een goed portier van d’Opera passeeren.
Men had goed kloppen, en my dus te lermoneeren,
Doch ’k het geen mensch in, of geld, geld was eerst het woord,
Geld moest’er wezen, of ik sloot aanstonds de poort;
2’t Is waar, ’k moet aan myn Heer daar van een portie dokken;
Doch ’k win daar by; want zie, ik hou de grootste plokken.
’k Verzorg de kaarszen, ’t hooy, ’t papier, en kleinigheên,
En ik versta my op de kunst, van nul ’k hou een.
Maar hy is als de droes genegen tot dat zwessen,
Ja dag en nacht leit hy en prevelt van Processen,
Van Vonnis, van Apel, Sententie, Vierschaar, daar
Hy wil gaan eeten, en ook slaapen ’t heele jaar.
Ik zei wel hondertmaal myn Heer Dandyn, ik zweerje
Je staat te vroeg op alle morgens, hoe begeerje
Dan uit te teeren, en te sterven als een beest?
Eet, drinkt, en slaapt, want zie de wyn verheugd de geest.
Maar ’t was vergeefs. Hy heeft zyn rol zo lang gaan speulen,
Zo lang gewaakt, dat hy een slag heeft van de meulen.
Dan wil hy een voor een ons vonnissen; enfyn
Hij preuveld dag op dag een duivel van Latyn,
Daar ik geen woord van weet; ja, ’k hoor hem dikwils zweeren.
Dat hy wil slaapen in de muts en Rechters kleeren.
Hy deed zyn haan onlangs uit gramschap ’t hooft afslaan,
Omdat hy laater, als wel eer, was opgestaan:
Hy zei een Pleiter had, wiens zaak niet wel wou vlooten,
Hem listig omgekogt, en ’t beest gevult de pooten.
Ja wel, de pikken schen die zotten met elkaar.
Zyn zoon verbied my om te spreeken met zyn vaâr,
En laat hem dag en nacht van ons op straat bewaaken,
Want anders zou hy ’t hier in huis zo lang niet maaken.
Myn Heer, denkt list op list, om ons, hem toevertrouwt,
’t Ontsnappen, ik voor my, ik slaap niet meer; geen hout
Is ook zo mager als ik word, ’k doe niet als gaapen.
Maar hy mag waken dien het lust, ik ga wat slaapen:
Dit zal myn kussen zyn. Ik meen heel onbevreest
3A2Van nacht te slaapen, want myn Heer slaapt als beest.
Kom, kom.
Wouter, Oratyn.
Wouter.
Ho,Oratyn!
Oratyn.
Ja wel... maar’k mag maar
1 2 3 4 5 6 7 8
Comments (0)
reload, if the code cannot be seen
Free online library ideabooks.net